Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch (+/-1588-1635)
Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden - Aflevering 5
Drieënzestigste editie
Mystieke lectuur voor Radio Maria België
Je kan de uitzending via deze webpagina van Radio Maria herbeluisteren.
Je zal een keuze moeten maken voor een van de uitzendingen.
Op de pagina van je keuze vind je na een korte omschrijving onderaan op die pagina
de mogelijkheid om deze bijdrage via een podcast te herbeluisteren.
Welkom beste luisteraars op het programma "Mystieke Lectuur". Het (programma) presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
In de vorige editie van Mystieke Lectuur, hoorden we hoe onze spirituele auteur handelde over de manier waarop nog andere mensen dwalen in het zoeken van God. En alhoewel die toch niet zo zwaar dwalen, ontdekken ze toch niet het Rijk van God, dat in feite in onszelf te vinden is. Eenvoudig is het enerzijds, gezien we niet ver hoeven te gaan om het te vinden. Toch zien we de schrijnende realiteit dat we van nature geneigd zijn om de verkeerde kant op te kijken. Dan zien we natuurlijk niet wat we in feite diep in ons hart zoeken. Er is een hele geestelijke strijd die in ons woedt, en het ons nog moeilijker maakt om Gods Rijk te vinden. Alhoewel die strijd van alle tijden is, weegt hij nu misschien zwaarder door dan ooit, met alles wat onze zintuigen de dag van vandaag te verwerken krijgen worden we nog meer gestimuleerd om de andere kant uit te kijken.
Ieder van ons heeft alles gekregen wat we nogdig hebben om door God gered te worden, en zelfs om tot de grootst en hoogst mogelijke eenheid met God te komen. Maar daarvoor moeten we een inwendige weg gaan. Toch verkiezen we het materiële, aardse leven met zijn zondige neigingen boven onze goddelijke roeping. Zolang we hier op aarde leven kunnen we ons echter wel nog bekeren, ons werkelijk omkeren. Zoals Ruusbroec het zou verwoorden, een ons afkeren van een verstrooien of verdwalen in menigvuldigheid naar eenheid met God in eenvoud. Johannes Evangelista wil ons helpen door ons hiervoor de ogen te openen.
Nog even herinneren dat onze auteur, rond 1588 werd geboren in 's Hertogenbosch. Hij kreeg de naam Gerhard Verscharen bij zijn geboorte. Hij treedt binnen in het noviciaat van de Capucijnen te Gent in 1613, waar hij de naam Johannes Evangelista aanneemt. Vanaf 1620 wordt hij benoemd tot novicemeester voor heel de Vlaamse provincie van de Capucijnen in het klooster te Leuven, en wordt een gezocht geestelijk directeur. De laatste jaren van zijn leven brengt hij door in Tervuren waar hij een nieuw klooster sticht aan de rand van het Zoniënwoud, niet ver van Groenendaal waar Jan van Ruusbroec zich als kluizenaar heeft teruggetrokken. Hij sterft uiteindelijk in Leuven in 1635, wellicht rond de bezetting van Leuven tijdens de tachtigjarige oorlog die toen volop woedde, en waarbij de mensen van het platte land naar de steden in de omtrek trokken voor bescherming.
Lees het vervolg van de uitzending of Luister naar deze bijdrage
Over dit initiatief
De bijdragen van Mystieke Lectuur worden gebracht door priester Paul Van der Stuyft, moderator van de Vereniging zalige Jan van Ruusbroec. Het is een vzw die werd opgericht met het oog mensen te helpen leven zoals God het voorzien of gepland heeft.
Ze wil uiteraard heel in het bijzonder haar leden ondersteunen in hun innerlijk leven en apostolaat.
Dat doen we aan de hand van inzichten en raadgevingen die vele heiligen en mystiekers ons hebben nagelaten.
Zoals de naam van onze vereniging doet vermoeden, doen we dat onder andere met de zeer diepe en rijke teksten van de zalige Jan van Ruusbroec.
We willen geen grote theorieën rond de oren slaan, maar stellen ons met een ontvankelijk hart open voor het Woord van God. Dat Woord heeft gedurende meer dan 20 eeuwen zoekende mensen aangesproken en geraakt. Velen hebben zich er spiritueel aan gevoed, en hebben er met hun leven van getuigd.
De literatuur die we lezend proberen te begrijpen en te duiden, heeft generaties mensen geholpen om dichter te komen bij het mysterie van ons christelijk geloof.
De vereniging wil haar steentje bijdragen bij het bekendmaken van deze christelijke spirituele schat door sessies, retraites, recollecties, lezingen, enz.
Het Centrum zalige Jan van Ruusbroec is de zetel van onze vereniging, en is eveneens de plaats waar een deel van onze activiteiten doorgaan.
Vervolg van deze bijdrage van Mystieke Lectuur
Johannes Evangelista wordt soms ook de Sint-Jan-van-het-Kruis van de Nederlanden genoemd. Dat lijkt misschien wat overtrokken, zeker wat betreft de stijl die soms nogal veel verwijzingen bevat van dingen die reeds gezegd werden of nog behandeld zullen worden. Maar toch weet hij wel heel toegankelijke, verhelderende en zelfs sterke beelden aan te wenden om duidelijk te maken waarover hij ons precies wil onderrichten.
Ook in deze editie zullen we ons commentaar tot een minimum herleiden. De teksten zijn vrij toegankelijk, en vragen dus niet al te veel uitleg, maar waar nodig zullen we die er zeker bijvoegen.
Luisteren we nog even naar een stukje vanuit onze vorige editie, maar wel in de vorm waarin het tot ons is gekomen; in de taal van toen.
| Sy en weten niet dat wesende gebloot vande creaturen sy ontwrocht moeten worden van haer selven / ende haeren geest moeten op-rechten boven de krachten der zielen / daer sy ghewaer souden worden die invloeyinge des Goddelijcke lichts / waer door sy meer gevoert souden worden boven alle creaturen ende haer selven tot Godt / gelijck een schip 't welck wesende in volle zee / met uyt-ghespannen seylen / is door de hulpe des windts ghedreven naer de haven. Maer blijven als dolende schepen in het midden der woeste zee / die den rechten wegh tot de haven niet en weten / die welcke komen altemets te varen op een plaete / oft worden door tempeest vervoert in vremde landen / oft komen oock wel te breken ende te verdrincken. |
In het vierde hoofdstuk dat we nu zullen lezen handelt onze geestelijke auteur over De oorzaak van de dwaling van de vooruitgang makende God-zoekende ziel. Als we God oprecht zoeken, dan maken we vooruitgang op die weg, ook al gaat het soms niet heel snel. Om beter te begrijpen wat ons belemmert om vooruitgang te maken schets Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch ons hier deze wegwijzer. Laten we luisteren naar zijn overwegingen.
| Eer we deze dwalende zielen op de rechte weg tot God zetten, moeten wij hen eerst ruimer de oorzaken van hun dwalingen voorhouden op de manier waarop we haar reeds hebben beschreven, zodat, als ze die kent, ze zichzelf beter zou kunnen beschouwen en daaruit ook de weg die zij moet gaan kan leren kennen. Wat de eersten betreft, denk ik dat uit wat wij in het begin hebben gezegd men genoeg heeft kunnen ontdekken waarom zij zo zeer van God verdwalen. |
| Maar wat de laatsten betreft, gezien zij zich op de rechte weg bevinden - met behoorlijk onderscheid - en ze eveneens attent zijn wat tijd en plaats betreft om God te vinden, kan men zich afvragen hoe het komt dat er dan zo weinigen onder hen tot God geraken? We hebben wel gezegd dat velen onder hen zich laten bedriegen door het valse oordeel dat ze hebben. Ze menen dat zij God gevonden hebben, of door hun manier van doen Hem voorzeker zullen vinden; maar zo zijn ze niet allemaal. Hoe komt het dan dat de gene die de grond van haar hart opent en van de waarheid onderricht is uiteindelijk God niet vindt? En hoe komt het dat de anderen met de tijd niet gewaar worden dat ze bedrogen zijn? Het antwoord daarop is dat zoals de gebreken van de mensen verborgen zijn, de oorzaken daarvan niet minder, maar precies veel verborgener zijn. |
Laten we even terugkijken wie die eersten waren waarnaar wordt verwezen: "De eerste dwalende zoekers zijn te vergelijken met degene die op het land met veel arbeid en moeite zoekt wat hij enkel over zee kan vinden, zonder te weten hoe en waar hij aan de zee kan komen, ja zelfs zonder te weten dat hij wat hij zoekt enkel over zee kan vinden. Want God, die ze zouden moeten zoeken boven haar natuur, in de geest, in een onverbeeldheid, in stilte en eenzaamheid, zoeken ze in haar natuur en in het eigen land door verbeeldheid, aardse bezigheden en menigvuldigheid."
De laatste categorie waarover onze auteur schrijft, zijn de: "Anderen die (wel) los zijn van alle dingen buiten haar, en ook vrij van zichzelf. Ze menen dat het daarmee genoeg is, en doen dus verder niets, gelovend dat zij in die toestand steeds meer in God kunnen geraken. Zij zijn gelijk aan degene die zich op zee bevinden, weg van het land, en die zou denken dat hij niets meer moet doen. Hij zou geen mast oprichten, noch een zeil spannen, gelovende dat de vloed van de zee hem ter bestemming zou voeren in de haven. Hij zou blijven zwalpen op de zee, nu hier, dan daar, en er geen profijt uit haalt."
Na deze korte terugblik op die twee soorten mensen kunnen we verder luisteren naar de tekst van het vierde hoofdstuk van dat bijzondere werk van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch : "Het Ryck Godts inder Zielen".
| Eerst en vooral benadert de manier waarop zij God zoeken, de juiste doeltreffende manier van zoeken zeer. Toch is ze niet correct zoals dat zal blijken uit datgene dat we nog zullen zeggen. Zij hebben veel gelezen en gehoord over de volmaaktheid, en weten dat God moet worden gezocht buiten de verbeelding en in de inwendige rust en gelatenheid. Maar om die te verkrijgen, leggen ze zich meer toe op het natuurlijk werk dan op een grondige verloochening van zichzelf, en menen aldus te wandelen in het zuiver geloof. Indien we het goed onderzoeken, zouden we ontdekken dat ze leven naar hun zintuiglijkheid. Want ook zij leven met God (vergelijkbaar met de voorgaande groep) zoals kinderen, alhoewel op een bedektere manier, omdat ze grote mannen willen zijn. |
| Maar al ware het dat sommigen van hen de rechte weg voor hadden, toch kunnen ze door veel redenen daarvan afwijken. Zoals met iemand die ergens naartoe reist, en in het begin de juiste weg ingeslagen is zonder nochtans ter bestemming te komen; ofwel omdat hij de juiste weg niet goed volgt (maar verkeerde wegen inslaat), ofwel omdat hij wel op de juiste weg zit, maar niet dapper genoeg doorstapt; of nog omdat hem iets overkomt dat hem belet verder te gaan. |
| Zo gebeurt het ook aan deze ziel, die nochtans de juiste weg heeft aangevat en toch verdwaalt, omdat die weg uitermate nauw is en er daarrond tal van omwegen en dwaalwegen liggen (door onze schalkse natuur gemaakt - de ziel die zoals de schaduw het lichaam waar die ook gaat langs alle kanten volgt, de juiste weg verbergend, en haar de bedrieglijke weg toont). Zo gebeurt het dat menig goed mens die goed begonnen was, van de juiste weg is afgeweken en het er slecht mee is afgelopen. |
Laten we nog even dit laatste paragraafje lezen in de vorm waarin Johannes Evangelista het heeft geschreven:
| Soo ghebeurt't oock aen dese zielen / die altemets den rechten wegh wel ghevat hebben gehad, maer om dat dien uyter maten engh is / ende ontrent hen ontallijcke onwegen ende doolweghen ligghen / die onse schalke natuer ghemaeckt heeft (die ziele als de schaduwe 't lichaem volght / ende haer t'allen kanten by de selve voeght / haer verbergende den rechten wegh / ende thoonende haere bedriegelijcke weghen) soo ghebeurt het datter menich goet mensch / die wel begonst hadde vanden rechten wegh afgeweken is / ende qualijck ghe-eyndt heeft. |
| Anderen die de rechte weg niet verlaten, wijzen haar toch af, omdat ze niet vastberaden voortgaan, maar zich op een slappe en flauwe manier (de weg die omhoog klimt omdat hij tegen de natuur en de zinnen gekeerd is, vereist van ons dat we niet stil blijven staan), dalen zij weerom naar beneden en worden weer wat ze tevoren waren. |
| Nog anderen die wel dapper voortgaan en een goed verlangen hebben om tot het einde van de weg te volharden, ontmoeten duisternis, dorheid, inwendige verleidingen en kwellingen. Door die te willen vermijden, wijken zij af van de rechte weg; of door die te willen doorbreken omdat ze niet weten hoe ze zich daarin moeten gedragen, blijven daarin steken. En daarom komen geen van hen op de plaats aan waar God te vinden is. |
| Toch is de meest voorkomende oorzaak van alle dwalingen - zowel bij de eerste als bij de laatste dwalende zielen - dat zij hun best niet doen om God te vinden. Zij laten het hun niet genoeg kosten. Zij willen God al te goedkoop bekomen. Ze schieten allemaal tekort omdat ze niet altijd en overal God zoeken. Dit is een algemeen gebrek, dat de oorzaak is dat er zo zelden iemand God waarachtig vindt. Want mochten zij zich allen daartoe ijverig inzetten, al ware het dat zij in zichzelf veel zware gebreken hadden, die haar ook nog onbekend zouden zijn, ze zouden die toch mettertijd ontdekken. En al maakten zij een enorme omweg, ze zouden toch ten slotte op de juiste weg terechtkomen. Want door dat dapper najagen van God, ten allen tijde en overal, zou de natuur noodzakelijkerwijs neergehaald en onderworpen worden, en aldus de geest meer bevrijd en daardoor in God verheven. |
| Eveneens door haar trouw zou God haar ongetwijfeld verlichten en genade schenken om alle beletsels te overstijgen en Hem te vinden. Maar ze schiet hier over de hele lijn tekort, en wel omdat ze te zeer bezeten is door haar eigenliefde. Daarom ontziet ze datgene te doen dat ze weet noodzakelijk te zijn om God te vinden, of ook uit onwetendheid omdat ze niet meent dat er zulk een nauwgezet waarnemen vereist wordt eer men God kan bekomen. |
| En voorwaar, het is moeilijk om een mens wijs te maken wat er allemaal moet worden doorgemaakt eer men bij God geraakt, tenzij hij zelf die weg gegaan is. Hij kan niet begrijpen dat zulk een zuiverheid, zulk een grote volharding en standvastigheid zonder enig onderbreken van hem vereist wordt. Ze lezen het allemaal voldoende en het wordt hen genoeg gezegd, maar ze maken de weg al wat korter dan de boeken of de leraars het verstaan. Ze stellen zich daardoor in gevaar omdat ze zich met zo korte bewoordingen de volmaaktheid en de weg die daartoe leidt, beschrijven en voorhouden als ware het een versterven en een oud worden in vernieting. |
| Deze woorden tonen het begin van de weg en het einde, maar niet wat er tussen beide in staat, en evenmin hoe ver ze van elkaar verwijderd zijn. Zij zijn kort en verstaanbaar, maar omvatten meer dan men denkt, (wat zal blijken uit wat we hierna zullen uitleggen,) en daarom worden die onwetende mensen daaraan bedrogen. Wat hen gebeurt, is te vergelijken met iemand die de hele wereld tot een kleine kaart of wereldbol reduceert, waar hem alle landschappen van de wereld getoond worden met kleine afstanden van elkaar. Hij zal daardoor denken dat hij niet ver is van Spanje, Italië, Indië, enz. waar hij nochtans lange tijd zou nodig hebben en veel moeite zou moeten doen om daar te geraken. |
En laten we nog even luisteren naar een van de vorige paragraafjes in de taal van onze auteur:
| Ende voorwaer t'is een mensch qualijck wijs te maecken watter te passeren is / eermen tot Godt gheraeckt / ten zy hy selve den wegh ghegaen heeft: hy en can niet begrijpen datter sulck een gheheelheydt sijns selfs / ende soo grooten gheduricheyt ende ghestadicheyt / sonder eenich onder-laten verheyscht wort: sy lesen het al te mael ghenoech / ende het wordt haer ghenoech gheseyt / maer sy nemen den wech al corter als het de boecken oft leeraers verstaen: d'welck ter avonturen comt / om dat sy haer met soo corte woorden de volmaectheyt / ende den wegh daer toe leydende beschrijven / ende voorhouden / stellende dien in een versterven / vernieten outworden / etc. |
| Zo gaat het ook met die geestelijke leraars, die van korte bewoordingen houden. Ze houden ons de volmaaktheid voor, en beschrijven de weg daarheen met weinig woorden. Toch is hij langer dan de afstand van het ene einde van de wereld tot de andere, want de volmaaktheid is een vereniging met God. Om daartoe te komen bestaat maar één weg: de hele wereld en alle schepselen verlaten (zoals hierna blijken zal). Gewone mensen die deze afstand niet naar behoren kunnen onderscheiden vanuit de woorden die tot hen werden gericht, achten de weg tot deze volmaaktheid veel korter en makkelijker dan hij is. Ze begeven zich op een slappe en flauwe manier op die weg, waardoor ze die zelden uitlopen en er zelfs moeilijk halfweg geraken. |
| Hierdoor zullen wij deze kaart hier uitgebreid, met alle afstanden duidelijk omschreven, spreken van de weg die tot God leidt; hoe lang en breed die is, waar hij gelegen is en wat daartoe vereist is. Dat alles zullen we heel uitdrukkelijk aanduiden. |
| Maar nu willen we enkel spreken van volharding en standvastigheid die daar vanwege de zielen noodzakelijk is om voort te gaan op die weg, en die tot het einde toe te volgen. Hier wil ik niet met veel woorden, maar met volgende gelijkenis verhelderen. Stel dat een mens langs een snelstromende rivier voorbijgaat, die van hoog uit de bergen komt. Indien hij die stroomafwaarts zou willen afvaren, dan zou hij dat zeer gemakkelijk en snel kunnen doen. Maar mocht hij hetzelfde stroomopwaarts willen opvaren naar het hoogste van de berg, zou hij met grote inspanning dat schip moeten voortstuwen. Hij zou zich noodzakelijkerwijs nacht en dag moeten inspannen, en tegen de stroom voortdurend moeten opboksen, om niet met de grote kracht van de stroming af te drijven. Mocht hij uiteindelijk de berg opraken waar de rivier haar oorsprong heeft, zou hij die - telkens wanneer hij zou verzuimen tegen de stroom in te gaan - noodgedwongen door de stroming weer naar beneden worden afgedreven, en alles verliezen wat hij met zoveel moeite bereikt had, zonder ooit tot de oorsprong van de rivier te geraken. |
| Ziet, hetzelfde geldt ook voor de weg die de mens tot God voert. Al zijn zintuigen, krachten en neigingen zijn sinds de zondeval van God afgekeerd. Ze lopen snel en gestadig naar beneden door het midden van de schepselen, als een vloeiend water door het midden van de aarde. De geest die met haar verenigd is, wordt gedwongen haar te volgen zoals een schip dat zich op een stroom bevindt. Aldus vloeit de gehele mens zeer makkelijk en zonder moeite steeds naar buiten. Maar wil de mens zich opwaarts keren tot God, dan gaat dat tegen de stroom in. Want de geneigdheid van zijn zinnen trekken hem steeds naar beneden, naar de aarde toe. Het kost hem zonder ophouden moeite en werk. Waardoor het noodzakelijk is, als hij tot God wil raken, dat hij zich vast voorneemt om van dat ogenblik af onophoudelijk in de weer te zijn. Steeds moet hij vechten tegen de stroom en de geneigdheid van zijn natuur in. Zodra hij maar even halt houdt, laat die geneigdheid hem achteruit boeren, weg van God. Dat laatste doet al wat hij tevoren door zijn inspanningen gewonnen had, teniet gaan. |
| Jawel, indien wij het juist willen beschouwen, dan heeft de mens die zich tot God richt grotere ijver en zorg, en meer standvastigheid nodig dan een schip dat tegen de stroom in wil varen. Want hij moet niet alleen het schip, maar ook de gehele rivier dwingen tegen de stroom in te gaan, gezien hij ook al zijn zinnen, krachten en neigingen inwaarts en opwaarts moet dwingen - tegen zijn geneigdheid in - tot God. Want de geest op zich genomen vermag niets van dat alles, en zoals ze hem uitwaarts gekeerd moet volgen, zo moet zij hem ook volgen wanneer hij zich inwaarts tot God keren wil. Er kan geen volmaakte vereniging van de mens met God zijn, of hij moet met al zijn krachten in God gekeerd zijn. |
Laten we nog even de vertaling van dat hoofdstuk onderbreken en luisteren naar het vorige paragraafjes zoals onze auteur het verwoordde:
| jae ist dat wy het te recht willen nemen / den mensch die hem tot Godt keert / heeft grooter neersticheyt / sorchvuldicheyt ende meerder gheduericheyt daer toe van doen / als die een schip teghen stroom op voeren wilt / want hy moet niet alleen het schip / maer oock de gheheele rivier selve tegen stroom opwaerts dwinghen / overmits hy oock alle sijn sinnen / krachten / ende affectien inwaerdts ende opwaerdts dwinghen moet / tegen haer ghenegentheyt in Godt / want den gheest alleen sonder dese en vermach niet met allen / ende ghelijck hy haer uytwaert keerende volgen moet / soo moeten sy hem oock volghen indien hy hem inwaerts tot Godt keeren wilt / noch daer en kan eenige volmaeckte vereeninghe des menschen met Godt wesen / oft hy moet met allen sijn krachten in Godt ghekeert zijn. |
En nu weer de vertaling van dat vierde hoofdstuk wat verder lezen:
| En alhoewel dat gebeurt zonder de soevereiniteit van de krachten - zoals we het later zullen aantonen -, zo wordt daartoe nochtans een overgrote ijver vereist, en een aller-vlijtigst en ononderbroken aandacht ten opzichte van zichzelf in de totaliteit van al zijn krachten. Deze aandacht moet in het begin des te naarstiger, vlijtiger en standvastiger zijn, omdat de krachten, zintuigen en neigingen (al is het dat ze zo van buiten naar binnen tot God gericht zijn) niet zo makkelijk in God kunnen rusten. En dit omdat ze door haar ongeduld en onstandvastigheid nog geen vaste inkeer in God hebben, en ze zo gemakkelijk vanzelf weer naar buiten vloeien. Daardoor zijn ze een tijd lang zoals een water dat niet ingedijkt is, en zeer makkelijk naar alle kanten kan wegvloeien totdat het een dieper gelegen deel in de aarde heeft dat het kan bevatten. Daarom moet ook een beginneling zijn krachten met alle mogelijke ijver aandachtig gadeslaan en bijhouden tot als ze in de grond van de ziel als in een diepte verzameld worden, en voortaan kunnen blijven rusten. |
| Die standvastigheid om zichzelf aandachtig gade te slaan, wordt voldoende aangegeven door wat hierboven gezegd is; namelijk, dat de volmaakte Goddelijke aanwezigheid die wij zoeken van die aard is, dat zij zo goed mogelijk overal en altijd bewaard moet blijven naar het uiterste vermogen van de ziel, en dit wordt van haar slechts verkregen door een volkomen vereniging met hetzelfde. Zo blijkt (uit wat we hebben gezegd) dat om God naar behoren te zoeken, de hele mens altijd, overal en met al zijn mogelijkheden zich daartoe moet inzetten. |
| En dat nog wel omdat de beslistheid van de mensen o zo twijfelachtig is, en de standvastigheid van de mensen al zo onstandvastig is, en zo zal hij zo lang hij op zijn eigen krachten voortgaat God terecht niet vinden (zoals we verderop zullen zeggen), tenzij hij toch boven dit huidige zoeken, door het besef van de nietigheid van zijn eigen werk (dat voortspruit uit een volkomen overgave van zichzelf in God) tot een standvastigheid komt. Daardoor is God dan eigenlijk aanwezig, want alhoewel de ziel altijd en overal haar best moet doen, is het eigenlijk niet zo dat God in tijd en plaats te vinden is. Hij is ver daarboven aanwezig. Maar het is opdat de ziel die vroeger altijd en overal buiten God zich tussen de schepselen verloor, tot bij en in zichzelf zou kunnen keren nadat ze in de tijd en plaats onder God staat. Zo komt ze wellicht boven zichzelf uit, waar ze een standvastige eeuwigheid vindt waarin God onbemiddeld aanwezig is. En omdat men zo weinig zielen vindt die zo trouw, vastberaden en standvastig God zoeken, daarom is het dat er zo weinigen tot de waarachtige vereniging met God toekomen. |
Ziezo, met deze laatste moeilijkere verwoording zijn we weer aan het einde gekomen van dit vierde hoofdstuk van onze "Sint-Jan-van-het-Kruis van de lage landen". We hoorden hoe hij daar handelde over De oorzaak van de dwaling van de vooruitgang makende God-zoekende ziel. Als we God oprecht zoeken in ons leven, zullen we door deze woorden van onze geestelijke auteur geholpen worden om beter te zien waar we aan toe zijn en welke valkuilen en vangijzers we op onze levensweg kunnen tegenkomen, en hoe we die best kunnen vermijden.
In ons geestelijk leven nemen we gemakkelijk de gewoonte over die we hebben aangeleerd in ons materiële en dierlijke leven. We kijken naar de buitenkant, want daarmee kunnen we ons leven situeren, en zien wat er rondom ons gebeurt. Op die manier kunnen we de wereld waarin we leven beter beheren en naar onze hand zetten. Maar ons geestelijke leven speelt zich op een ander niveau af. We moeten leren kijken met andere ogen om te zien wat ons op geestelijk vlak bezielt en raakt. We zullen meestal spreken over het kijken met de ogen van het hart. En met het hart bedoelen we dan weliswaar niet onze bloedpomp. De ogen van ons hart, dat zijn ogen die in de kern van ons mens-zijn helpen om het diepere van ons menselijk bestaan te zien en te begrijpen.
Als we ons louter op onze uiterlijke zintuigen zouden baseren, dan zouden we geen verschil merken tussen het als kind aanliggen tegen een rustig herkauwende koe in de wei, en het aanliggen tegen een van diens ouders. Toch zal de knusheid en gezelligheid die het erbij gewaar wordt bij de ouders, op een dieper niveau een heel andere dimentie hebben. De liefde van de ouders naar hun kinderen en omgekeerd wordt uiteraard ook door de uitwendige zintuigen geprikkeld, maar speelt zich hoofdzakelijk veel dieper af in het hart van de mens. Jawel, en ook als de relatie tussen hen op een of andere manier een beetje geschonden werd, dan zal men voelen dat dit moet goedgemaakt worden om het knus en gezellig samenzijn niet te bederven, maar waarachtig mogelijk te maken.
Om het belang van deze inkeer te vatten, en de manier waarop we die inwendige zintuigen moeten scherpen, is het vooral ons hart dat hierbij attent moet zijn en dat aandacht moet schenken. Het stukje tekst dat de zalige Jan van Ruusbroec ons over deze realiteit heeft nagelaten kan ons zeker en vast helpen om te merken hoe belangrijk deze aandacht is voor ons geestelijk, en dus diep menselijk leven:
| "De mens die zich meer naar binnen keert om Gods spreken te horen dan naar buiten naar de woorden van de mensen; die naar het woord Gods liever luistert om te léven dan om te wéten; voor wie het Woord Gods een spijs is, die naar God toeleidt en waarin hij God boven alles leert smaken; die met geloof en trouw bij het inwendig woord blijft: - hij is het, die oren heeft om te horen, en hij is in staat de gehele waarheid te verstaan, die God hem wil openbaren. Hij is het ook die alle zonden overwint (dat is de eerste dood), en hij wordt niet getroffen door de eeuwige pijnen (dat is door de tweede dood, die altijd op de zonde volgt)." |
De beelden die Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch ons aanreikt kunnen ons helpen om zelf in ons eigen leven na te gaan waar wij ons op dat vlak werkelijk bevinden. En als we merken dat we niet in de juiste richting gaan, dan reikt hij ons in zekere zin een kompas en een kaart aan om vastberaden de koers te weizigen en de goede richting in te slaan. Dit geeft ons dan ook het inzicht en de moed om daarin te volharden.
De volgende keer zullen we het vervolg van het werk van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch hoofdstuk na hoofdstuk ter hand nemen. Hij was een eenvoudige maar diepzinnige Capucijn uit de 16e-17e eeuw, en heeft nog een boodschap die ons kan helpen op onze christelijke levensweg.
Beste luisteraars, hopelijk hebben deze woorden over "Het Rijk van God in onze zielen" jullie hart nogmaals kunnen raken, en mogen we jullie volgende keer opnieuw rekenen onder onze trouwe toehoorders. Tot de volgende keer.
De vertaling is een vrije vertaling uit de "Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden" van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch.
| U luisterde naar het programma Mystieke Lectuur, waar we deze keer hebben gelezen uit de "Het Rijk van God in onze zielen", een boeiend en beeldrijk werk uit de rijke schat van de Christelijke Spirituele Literatuur. |
Digitale bijdragen
Via YouTube worden regelmatig filmpjes beschikbaar gesteld. Daardoor wil de vereniging ook mensen te hulp komen met middelen die de moderne media tegenwoordig mogelijk maken.
Momenteel kunnen ze enkel via deze website gevonden worden, en worden ze niet voorgesteld aan mensen die op YouTube surfen of opzoekingen doen.

