Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch (+/-1588-1635)
Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden - Aflevering 6
Vijfenzestigste editie
Mystieke lectuur voor Radio Maria België
Je kan de uitzending via deze webpagina van Radio Maria herbeluisteren.
Je zal een keuze moeten maken voor een van de uitzendingen.
Op de pagina van je keuze vind je na een korte omschrijving onderaan op die pagina
de mogelijkheid om deze bijdrage via een podcast te herbeluisteren.
Welkom beste luisteraars, Programma "Mystieke Lectuur" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
In de vorige editie van Mystieke Lectuur, hoorden we Johannes Evangelista De oorzaak van de dwaling van de vooruitgang makende God-zoekende ziel behandelen. In ons geestelijk leven nemen we gemakkelijk de gewoonten over die we hebben aangeleerd in ons materiële en dierlijke leven. We kijken naar de buitenkant, want daarmee kunnen we ons leven situeren, en zien wat er rondom ons gebeurt. Op die manier kunnen we de wereld waarin we leven beter beheren en naar onze hand zetten. Maar ons geestelijke leven speelt zich op een ander niveau af. We moeten leren kijken met andere ogen om te zien wat ons op geestelijk vlak bezielt en raakt. We zullen meestal spreken over het kijken met de ogen van het hart. En met het hart bedoelen we dan weliswaar niet onze bloedpomp. De ogen van ons hart, dat zijn ogen die in de kern van ons mens-zijn helpen om het diepere van ons menselijk bestaan te zien en te begrijpen.
Ons inkeren in onszelf is niet hetzelfde als wat we navelstaarderij noemen. In de diepste kern van ons mens-zijn, zijn we met God verbonden. Woorden kunnen niet ten volle weergeven hoe dat werkt of wat dat echt betekent. We moeten steeds beelden ter hand nemen om een stukje van die spirituele realiteit te beschrijven. Enkele andere beelden om hetzelfde te zeggen kunnen ons helpen om het niet ruimtelijk, maar bovenruimtelijk, of beter gezegd bovennatuurlijk te begrijpen. Men kan even goed ons aardse bestaan als de benedenkant van ons bestaan beschouwen, en God boven ons situeren. Dan zijn we in contact met de aarde via onze laagste vermogens en zintuigen, en staan we in contact met God met de hulp van onze hogere vermogens, via onze geest. Die dan weliswaar naar boven opgericht moet staan. God houdt ons in leven door dat contactpunt met Hem, nl. via onze geest. Maar boven of onder zijn ook relatieve begrippen. We kunnen God ook zien als de grond van ons bestaan, het fundament dat ons draagt en in leven houdt. Dan situeren we God en ons spirituele leven niet meer in het centrum, noch boven-, maar onderaan.
Zo kunnen we zien dat beelden altijd tot op een zekere hoogte een hulp zijn om inzichten te verwerven, maar dat ze eveneens hun grenzen hebben. We kunnen ze niet absoluut beschouwen, maar steeds in zoverre ze ons op weg helpen. We mogen er niet bij blijven staan, maar verder gaan op de weg die God voor ons heeft bereid.
In deze editie lezen we het vijfde hoofdstuk van het werk van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch. Die eenvoudige maar diepzinnige Capucijn uit de 16e-17e eeuw, en wiens boodschap ons nog steeds kan helpen op onze christelijke levensweg.
Lees het vervolg van de uitzending of Luister naar deze bijdrage
Over dit initiatief
De bijdragen van Mystieke Lectuur worden gebracht door priester Paul Van der Stuyft, moderator van de Vereniging zalige Jan van Ruusbroec. Het is een vzw die werd opgericht met het oog mensen te helpen leven zoals God het voorzien of gepland heeft.
Ze wil uiteraard heel in het bijzonder haar leden ondersteunen in hun innerlijk leven en apostolaat.
Dat doen we aan de hand van inzichten en raadgevingen die vele heiligen en mystiekers ons hebben nagelaten.
Zoals de naam van onze vereniging doet vermoeden, doen we dat onder andere met de zeer diepe en rijke teksten van de zalige Jan van Ruusbroec.
We willen geen grote theorieën rond de oren slaan, maar stellen ons met een ontvankelijk hart open voor het Woord van God. Dat Woord heeft gedurende meer dan 20 eeuwen zoekende mensen aangesproken en geraakt. Velen hebben zich er spiritueel aan gevoed, en hebben er met hun leven van getuigd.
De literatuur die we lezend proberen te begrijpen en te duiden, heeft generaties mensen geholpen om dichter te komen bij het mysterie van ons christelijk geloof.
De vereniging wil haar steentje bijdragen bij het bekendmaken van deze christelijke spirituele schat door sessies, retraites, recollecties, lezingen, enz.
Het Centrum zalige Jan van Ruusbroec is de zetel van onze vereniging, en is eveneens de plaats waar een deel van onze activiteiten doorgaan.
Vervolg van deze bijdrage van Mystieke Lectuur
Nog even herinneren voor de toevallige luisteraar dat onze auteur, rond 1588 werd geboren in 's Hertogenbosch. Hij krijgt de naam Gerhard Verscharen bij zijn geboorte. Hij treedt binnen in het noviciaat van de Capucijnen te Gent in 1613, waar hij de naam Johannes Evangelista aanneemt. Vanaf 1620 wordt hij benoemd tot novicemeester voor heel de Vlaamse provincie van de Capucijnen in het klooster te Leuven, en wordt een gezocht geestelijk directeur. De laatste jaren van zijn leven brengt hij door in Tervuren waar hij een nieuw klooster sticht aan de rand van het Zoniënwoud, niet ver van Groenendaal waar Jan van Ruusbroec zich als kluizenaar had teruggetrokken. Hij sterft uiteindelijk in Leuven in 1635, wellicht rond de bezetting van Leuven tijdens de tachtigjarige oorlog die toen volop woedde, en waarbij de mensen van het platte land naar de steden in de omtrek trokken voor bescherming.
Johannes Evangelista wordt soms ook de Sint-Jan-van-het-Kruis van de Nederlanden genoemd. Dat lijkt misschien wat overtrokken, zeker wat betreft de stijl die soms nogal veel verwijzingen bevat van dingen die reeds gezegd werden of nog zullen behandeld worden. Maar toch weet hij wel heel toegankelijke, verhelderende en zelfs sterke beelden aan te wenden om duidelijk te maken waarover hij ons precies wil onderrichten.
Ook in deze editie zullen we ons commentaar tot een minimum herleiden. De teksten zijn vrij toegankelijk, en vragen dus niet al te veel uitleg, maar waar nodig zullen we die toch proberen bij te voegen.
Maar laten we eerst nog even een stukje van de vorige editie hernemen, maar eerst in het dialect van Johannes Evangelista, en vervolgens in het hedendaags Nederlands
| jae ist dat wy het te recht willen nemen / den mensch die hem tot Godt keert / heeft grooter neersticheyt / sorchvuldicheyt ende meerder gheduericheyt daer toe van doen / als die een schip teghen stroom op voeren wilt / want hy moet niet alleen het schip / maer oock de gheheele rivier selve tegen stroom opwaerts dwinghen / overmits hy oock alle sijn sinnen / krachten / ende affectien inwaerdts ende opwaerdts dwinghen moet / tegen haer ghenegentheyt in Godt / want den gheest alleen sonder dese en vermach niet met allen / ende ghelijck hy haer uytwaert keerende volgen moet / soo moeten sy hem oock volghen indien hy hem inwaerts tot Godt keeren wilt / noch daer en kan eenige volmaeckte vereeninghe des menschen met Godt wesen / oft hy moet met allen sijn krachten in Godt ghekeert zijn. |
En nu in een hedendaagse vertaling:
| Jawel, indien wij het juist willen beschouwen, dan heeft de mens die zich tot God richt grotere ijver en zorg, en meer standvastigheid nodig dan een schip dat tegen de stroom in wil varen. Want hij moet niet alleen het schip, maar ook de gehele rivier tegen de stroom in dwingen te gaan, gezien hij ook al zijn zinnen, krachten en neigingen inwaarts en opwaarts moet dwingen - tegen zijn geneigdheid in - tot God. Want de geest op zich genomen vermag niets van dat alles, en zoals ze hem uitwaarts gekeerd moet volgen, zo moet zij hem ook volgen wanneer hij zich inwaarts tot God keren wil. Er kan geen volmaakte vereniging van de mens met God zijn, of hij moet met al zijn krachten in God gekeerd zijn. |
In het vijfde hoofdstuk dat we nu gaan lezen, handelt onze geestelijke auteur over De moeilijkheden die de ziel ondervindt om God te vinden. En in de titel specifieert hij het volgende over deze moeilijkheden: Deze komen in feite allemaal voort, door en van haarzelf.
We denken normaal gezien dat de problemen die we hebben van buitenaf op ons afkomen. We zoeken de oorzaak van onze problemen altijd buiten onszelf. Hier krijgen we dus te horen dat de moeilijkheden die we ondervinden op onze geestelije levensweg niet van elders komen, maar vanuit onszelf. Als we dat horen, denken we wellicht het volgende bij onszelf: Heeft onze auteur hierover wel goed nagedacht? Ben ik dan geen uitzondering op de regel, die helemaal niets kan worden verweten op het vlak van mijn openheid en verlangen om met God verbonden te zijn?
Laten we eens luisteren naar wat Johannes Evangelista ons hierover te vertellen heeft, en hoe hij zijn stellingname verantwoordt:
| Met dit aldus te zeggen, maak ik alle God-zoekende zielen bevreesd, want wie is er zo volhardend en standvastig, die God zal willen zoeken naar al zijn krachten? Het schijnt bovenmenselijk te zijn, en boven zijn aangeboren veranderlijkheid en onstandvastigheid, in de mate dat dit gebrek aan volhardend aandachtig waarnemen van zichzelf, de oorzaak is van alle dwalingen en tekortkomingen van de zielen. Wie zal dat volledig kunnen verbeteren? Nochtans moet het de ziel zeer openlijk gezegd worden, omdat ze het zich anders te makkelijk voorstelt, en niet weet wat het zoeken om het dichtste nabij God te komen, inhoudt en vereist. |
| Als een mens een grote reis aanvat, is het goed dat men hem inlicht over de afstand en moeilijkheidsgraad van de weg, opdat hij zich daartoe goed op voorbereidt en opdat hij zich niet laat ontmoedigen als hij onderweg ondervindt dat het zwaardere inspanning en moeite van hem vergt dan hij dacht; want pijlen die men voorziet, kwetsen minder, en pijnen die men verwacht, zijn minder moeilijk te dragen. Daarom hebben wij die God-zoekende zielen deze waarschuwing gegeven, voor we haar op de weg tot God hebben begeven. En als ze goed willen verstaan wat wij gezegd hebben, is het niet zo zwaar als het wel klinkt. Inderdaad, het is niet zwaarder dan we het zelf maken, want alle moeilijkheden komen van onze kant en geenszins van Godswege. |
| Het is niet omdat God zo ver van ons vandaan is, of zo moeilijk om vinden is, dat er zoveel aan te pas komt om hem te vinden, maar omdat wij́ zo ver van hém verwijderd zijn, omdat we zo belet en onbereidwillig zijn, en omdat we zo moeilijk kunnen begrijpen hoe Hij gevonden moet worden. |
We zoeken volgens onze auteur dus niet enkel de schuld van onze problemen buiten ons, maar we zoeken die blijkbaar ook in de verkeerde richting. Luisteren we maar naar wat volgt:
| Degene die door zijn eigen plompheid en onwetendheid met veel moeite en werk in een ver land gaat zoeken, datgene wat hij in eigen huis heeft, moet niet zeggen dat dit moeilijk te vinden is, omdat hij zoveel moeite doet om het te zoeken. Eveneens wie zeer benomen is, en niet bereid om zijn vriend te gaan opzoeken, die nochtans op hem wacht en bereid is om hem te ontvangen, moet niet klagen dat het hem moeite vraagt om naar zijn vriend (die bereid is om hem te ontvangen) toe te gaan, want dat is dan zijn eigen schuld. |
| Zo gaat het ook met de Godvruchtige ziel, zelfs als ze moeite doet om tot God te komen met vele en langdurige meditaties en met (artificiële) bewerkte oefeningen, maar God buiten haarzelf zoekt; of ook als het een mens betreft die niet verstorven is, die veel werk en moeite doet om zich tot God te keren, maar die omdat hij vast zit aan een slechte ingesteldheid, daarvan (van de toekeer tot God) gedurig weggehouden wordt. Geen van beiden moet daarom klagen dat God moeilijk te vinden is, want zowel de een als de ander hebben zichzelf deze moeilijkheid aangedaan. De ene door buiten zichzelf diegene te gaan zoeken die hij binnen zichzelf tegenwoordig heeft, en de andere door zich aan alle dingen te willen hechten waarvan hij zich niet zonder moeite kan scheiden. |
| Al de beletsels die het ons moeilijk maken om God te zoeken en die ons daarbij belemmeren, zijn in ons en komen uit ons. Wij hebben hier dus enkel met onszelf te doen, en daarom moeten we die (beletsels en moeilijkheden) minachten. |
| Waren deze beletselen er niet die wij van onzentwege hebben, het zou de mens zeer eenvoudig en makkelijk vallen om God te naderen en hem altijd bij zich tegenwoordig te houden. |
We onderbreken de vertaling even om nog een stukje in de taal van toen te lezen. Hopelijk herkennen jullie goed het stukje dat we reeds in de vertaling hebben gehoord, en kan die tekst daardoor ook dieper in ons hart binnenkomen.
| Degene die door sijn eyghen botticheyt ende onwetentheyt in verre landen gaet soecken met veel moeyten ende arbeyt / 't ghene hy binnens huys heeft / en moet niet seggen dat sulcx quaedt om vinden is / om dat hy soo groote moeyte doet in dat te soecken: Oock die veel belets heeft / ende onbereyt is om te gaen vinden sijnen vrient / die naer hem wacht / ende bereyt is om hem te ontfanghen / en moet niet klaeghen dat sijnen vrient hem moeyte kost / om tot hem te gheraecken / door dien hy niet sonder moeyte hem ontledigen ende bereyt maecken en kan om hem te gae<n> vinden / want dat is sijn eyghen schuldt. |
En we lezen weer verder in onze vrije vertaling:
| De oorzaak waarom diegene die geen zware beletselen in zich heeft, en God niet vindt, is dat voorwaar omdat hij zo makkelijk gevonden kan worden. Want omdat de ziel moeilijk kan begrijpen hoe innig God haar nabij is, zo kan zij nog moeilijker begrijpen hoe ongekunsteld, simpel en eenvoudig zij zich tot deze innige tegenwoordigheid moet voegen, en nog veel moeilijker kan zij dat alles behoorlijk doen. Onder haar uitwendige en inwendige werken is er niet een dat haar zo eenvoudig en makkelijk te doen valt, dan wanneer ze er (op)eens weet van heeft. |
| Ja, zelf haar ogen keren tot het licht dat voor haar is, valt haar niet makkelijker of eenvoudiger dan zich inwendig tot God te keren. Dit alles zal duidelijker blijken uit wat we hierna zullen zeggen en (uit wat verstaanbaar is) van datgene we in het begin gezegd hebben, namelijk dat God het doel, het leven en de eigen rustplaats is van de ziel. De ziel heeft daar een ingeboren geneigdheid toe, zoals een steen aangetrokken wordt door de aarde. Een steen valt makkelijk, zonder moeite, ja vanzelf, en behoeft maar lost te zijn. Zo keert de geest van de mens zich ook eenvoudig en makkelijk, ja vanzelf tot God. Al de moeite die zij heeft in de ziel beperkt zich enkel maar tot het zich losmaken van de gehechtheid aan de schepselen en aan haarzelf. |
| Het kost haar moeite en tijd, zoals een steen evenmin zonder moeite en werk kan losgemaakt worden. Maar wie er geen ervaring van heeft, kan het niet geloven. Daarom zoekt hij zorgvuldig en intensief, hij verzet nodeloos moeite en arbeid. Hij geeft zichzelf werk dat hij nadien niet zonder moeite achter zich laten kan, en nochtans zal hij het moeten laten om verder te geraken. |
Johannes Evangelista is niet de eerste die ons attent maakt op het feit dat we makkelijk naar de verkeerde kant kijken als we God zoeken. Sint Augustinus heeft ook dingen gezegd en geschreven die daarover duidelijke taal spreken. In de eerste editie van ons programma Mystieke Lectuur, zijn we bij hem te rade gegaan om onze binnenkamer beter te kunnen begrijpen. Hij zei dat het verlangen naar God het diepste verlangen is in het mensenhart. God zelf heeft het in ons gelegd. Dat horen we ook heel duidelijk bij Sint Augustinus die zei: "Gij hebt ons naar U toe geschapen en onrustig is ons hart tot wij in U geborgen zijn."
Eveneens schreef Sint-Augustinus in zijn beroemde "Belijdenissen" (boek X, XXVII,38): "Laat heb ik hou liefgehad, o schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik jou liefgehad. Je was binnen en ik was buiten; en daar zocht ik je, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door jou gemaakt zijn. Je was bij mij, maar ik niet bij jou. Ik werd ver van je gehouden door dingen die niet hadden bestaan als ze niet in jou hadden bestaan."
Is dat niet precies wat onze mystieke auteur Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch ons met andere woorden probeert diets te maken?
Luisteren we nu verder naar hem:
| Het is dus onjuist, en enkel bij gebrek aan ervaring dat men gewoonlijk zegt dat de weg tot God verborgen, duister en hoog is. Het is binnen in ons, en enkel van onzentwege dat last, duisternis en moeite komen. Wij zijn te hoog verheven in onze eigendunk en we zijn te eigenwijs. We willen de goddelijke dingen naar ons eigen inzicht en menselijk verstand schikken en voegen en niet omgekeerd. Dit blijkt duidelijk doordat wij willen zien wat de ziel doet om God te vinden en te behouden, namelijk het afstand doen van, verloochenen, vergeten, tenietgaan, ontdoen, het eenvoudig, los en ledig maken (zoals we hierna zullen zeggen). Dit alles is een teken dat zij voordien (voor we hoogmoedig en eigenwijs geworden zijn) meer hadden, wisten, deden en waren zoals het behoort. |
| En zoals de juiste manier om God te vinden vanuit zichzelf eenvoudig en makkelijk te verkrijgen is, zo is ze ook makkelijk te behouden. Want als de ziel die gevonden heeft, zal ze noch pijn, noch arbeid, noch moeite hebben om steeds verder te gaan. Ze zal daar veeleer rust in vinden, vreugde en voldoening. In tegendeel, ze zal veel meer moeilijkheden ondervinden bij het langzaam gaan, bij het stilstaan of bij het ophouden. |
| En als ze mij hierover niet wil geloven, zal ik haar het getuigenis geven van de heilige Bonaventura die in zijn boekje Stimulus Amoris, par.3. cap.4. de godzoekende ziel die zich boven zichzelf tot God begint te verheffen, vergelijkt met iemand die een berg beklimt, maar met dat verschil, dat degene die met zijn lichaam de berg beklimt, hoe meer en hoe langer hij klimt, hoe meer arbeid en moeite hij doet, en hoe vermoeider hij wordt. Daarom moet hij ettelijke keren ophouden met klimmen en rusten. En daarbij komt hij dan weer tot zijn positieven en vindt hij zijn krachten weer. Dit maakt hem bekwaam om weer verder te klimmen. |
We onderbreken nog even de vertaling om een stukje in de taal van toen te lezen. Hopelijk kan die tekst daardoor ook dieper in het hart binnendringen.
| Soo dat t'onrecht ende alleen by ghebreck (p.54) van ondervindinge men gemeynelijck seyt / dat den wegh tot Godt verborge<n> / duyster / en hooch is: het is in ons / ende van onsen't weghen / dat alleen 'tquaet / duysternissen / ende moeyten komen / wy zijn te hooch verheven in onsen eygen sin / ende zijn t'eygen wijs / en<de> willen de Goddelijcke dingen naer ons vernuft en<de> menschelijck verstant schicken ende voegen / ende niet ons naer die. |
En we lezen weer verder in onze vrije vertaling die heel dicht bij het origineel probeert te blijven:
| Maar het is volledig het tegenovergestelde, zegt hij (de heilige Bonaventura), met degene die met de geest zichzelf verheft en aldus tot God opklimt. Gezien zijn ogen open zijn en hij wakker is, moet hij altijd blijven klimmen en hij mag nooit rusten. Want niet rusten in het klimmen tot God, is rusten. Want wie hier rusten wil, wordt moe, en hij kan nadien niet meer zo goed klimmen. Jawel, het gebeurt intussen, zegt hij, dat als hij wil rusten, dat hij zo moe is dat hij nadien geenszins meer kan klimmen. Een beetje verder zegt hij zelfs: juist omdat de geest hard loopt gaat het goed, maar gaat hij traag, dan wordt hij moe, en als hij rust dan verliest hij alle krachten. |
| De oorzaak van het verschil tussen deze twee klimmers is dat degene die een lichamelijke berg opgaat, veel inspanningen moet doen om het zware lichaam tegen zijn natuurlijke geneigdheid in de hoogte op te duwen, en daarom wordt hij daar moe van. Door te rusten wordt hij weer hersteld en komt hij weer op krachten. Maar de geest die tot God opklimt is licht, en heeft een natuurlijke geneigdheid om in de hoogte te zijn, en te rusten in God. Daarom wordt hij door het klimmen niet moe, net zoals het lichaam bij het afdalen, maar hij wordt daardoor hersteld en versterkt. |
| Als hij daarentegen stopt met klimmen (omdat hij dan terugvalt in de zinnen die hem verduisteren, verdrukken en beletten, zodat hij nadien niet meer zo goed kan klimmen), komt hij door het stilstaan niet op krachten in zijn opklimmen naar God. Vergelijk het met een pluim, hoe meer ze in de lucht is, des te beter ze kan blijven vliegen, maar als ze op de aarde terechtkomt, wordt ze vochtig, vuil en ongeschikt om terug in de lucht verheven te worden. Zo zal het ook zijn met de geest. Hoe meer en hoe regelmatiger hij zich tot God verheft, hoe bekwamer hij wordt om zich daartoe te verheffen en er steeds in verheven te blijven. Maar als hij het klimmen verlaat en de zinnen plaats geeft, wordt hij langsom trager en minder bekwaam om zich weerom in God te verheffen. |
| Zo gezien is er in dit voortdurend zoeken van God, arbeid zonder pijn, werk zonder onrust, inspanningen die niet vermoeien of bedroeven ((vernoeyen = droef maken of tegenzin opwekken?)), maar versterken en herstellen. Daarom zullen we verderop zeggen: het heeft slechts de naam van het zoeken maar behoort deze naam eigenlijk niet te krijgen. Dat de aanhoudendheid in het zoeken van God en het zich verheffen tot Hem de beginnende ziel moeilijk valt, en dat ze er tegen opziet, is enkel omdat ze bij het klimmen tot God de begeerten (zinnen) met zich meeneemt, en net omdat de geest met de natuur en zijn begeertes (inwendig), in haarzelf, teveel met elkaar vermengd zijn, kan ze het oprechte kennen niet bezitten. Hoe meer ze zich nochtans voortdurend tot God verheft, al is het met pijn en moeite, des te sneller zal ze van alle pijn en moeite verlost worden. |
| Hierom is het noodzakelijk om de God-zoekende ziel aan te moedigen en op te wekken tot een vlijtig en standvastig beschouwen van haarzelf, aangezien ze weet dat al wat haar ontbreekt en belet, dat al de moeite en pijn die ze ontmoet op haar weg tot God, van haarzelf komt en geenszins van God. Want God zoekt enkel zichzelf aan haar te openbaren, en zich door haar te laten vinden, bezitten en genieten. Hij zegt zelf dat Hij aanklopt aan de deur van haar hart... ((Apoc. 3,20)) |
| In de mate dat ze God is gaan zoeken, en geen rust meer op aarde begeert dan in Hem, is ze daarom begonnen zichzelf en alle schepselen los te laten. Ze doet dat liever volledig en totaal dan wel halfweg, want wat baat het dat ze zich op die weg begeven heeft om te zoeken, en niet ten einde toe doorgaat om te vinden (en haar doel te bereiken)? Mocht ze het goed bevonden hebben om een deel te geven aan God, omdat ze dacht dat het beter was om in God te zijn dan in de schepselen en in haarzelf, waarom geeft ze dan niet alles, opdat ze op die manier geheel in Hem kan zijn? En dit hoofdzakelijk, gezien een deel zonder het geheel weinig nut heeft. Het kan haar immers God niet doen vinden. Heeft ze het land gewillig verlaten, en zichzelf op Zee begeven? Dat ze dan vastberaden doorvaart om in de haven aan te komen, liever dan te blijven dolen op de woeste Zee, of met schaamte opnieuw aan land te moeten komen. |
En luisteren we nog even naar een stukje in de taal van Johannes Evangelista om die tekst daardoor wat dieper in ons hart te laten binnendringen.
| Ende oft iemant by avontueren noch den moet niet sterck ghenoech en hadde om hem over te geven in altoos te volherden in dat geduerich waernemen zijns selfs / naer de geheelheyt die wy gheseyt hebben dat daer vereyscht wort om Godt te vinden / dat hy ten minsten dit voor hem neme te doen voor eenen sekeren tijt / lanck oft kort / liever als te blijven soo ten halven hangen / soeckende nu Godt / en<de> dan sijn selven / nu klimmende / dan daelende / nu voorwaerts gae<n>de / ende terstont achterwaerts / heden maeckende / ende morgen wederom 't selve brekende. |
Na deze kleine intermezzo lezen we weer verder in het hedendaags Nederlands:
| En als iemand dan toch niet moedig genoeg is om zich over te geven en steeds te volharden in het gedurig waarnemen van zichzelf naar de volheid die daartoe vereist is om God te vinden - zoals we reeds hebben gezegd - dat hij zich dan ten minste voorneemt om dit voor een zekere tijd te doen; hetzij lang of kort, veel liever dan halfweg te blijven hangen, nu God zoekend, en dan weer zichzelf, nu weer klimmend en dan dalend, eens voorwaarts gaand en terstond achterwaarts, heden opbouwend en morgen weerom hetzelfde afbrekend. |
| Want hij zal beter verstaan en veel meer voordeel bekomen (zoals we nog verder zullen uitleggen), volkomen en in zijn geheel in enkele maanden, dan wanneer hij het maar halfweg doet in veel jaren. Hij zal dan ongetwijfeld beginnen te ervaren dat God in zijn ziel zeer nabij is, hij zal daar het leven in de dood gewaar worden, het licht dat in de duisternis verborgen is. Dat zal hem zijn pijn en moeite verlichten, waardoor hij moediger zal worden om dapper te volharden in het waarnemen van zichzelf. Hij zal dan al doende ondervinden dat wanneer men meer aan zichzelf afsterft, zichzelf loslaat en verlaat voor God, hoe aangenamer en makkelijker het wordt, maar eveneens dat hoe minder (radicaal) men dat doet, hoe moeilijker en droever het is (om die weg te gaan). Men zal onmiddellijk ondervinden dat het veel zwaarder en pijnlijker is om God maar half te dienen dan volledig en totaal. |
| Hieruit volgt dat als iemand zich hieraan (aan een dergelijke levenswijze) niet kan overgeven, die tenminste moet beseffen dat wat we hier zullen bespreken niet voor hem of haar bedoeld is. En daaruit volgt dat die daar niet zal kunnen of mogen over oordelen. |
Hier geeft Johannes Evangelista, onze auteur, een duidelijke waarschuwing. Als men die weg niet wil bewandelen, kan men evenmin begrijpen wat men op die weg kan tegenkomen, laat staan dat men kan meespreken of oordelen over wat men al dan niet zou moeten kunnen weten of doen als men die weg is ingeslagen.
Meteen legt hij de vinger op de zwakke plek. Als we onze medemens willen helpen om ten volle mens te worden zoals God dit heeft voorzien, en alle potentiële mogelijkheden willen benutten die ons mens-zijn inhouden (zoals God het voor alle tijden heeft voorzien), dan worden we jammer genoeg door heel veel mensen helemaal niet of heel slecht begrepen.
Ziezo, we zijn weerom aan het einde gekomen van dit hoofdstuk, het vijfde van onze "Sint-Jan-van-het-Kruis van de lage landen". Het hoofdstuk dat we vandaag hebben gelezen is vrij toegankelijk, en niet al te moeilijk om te volgen. Wel staan we nu voor een keuze, we kunnen verder het hele boek doornemen, en dan zijn we nog een tijdje zoet want het boek bevat 33 hoofdstukken.
Gezien we op een punt zijn gekomen waarop onze schrijver ons duidelijk maakt dat we nu zullen binnenstappen in een volgende fase, die niet onmiddellijk voor iedereen even evident zal zijn, stel ik voor om in de volgende edities ons weer te beperken tot enkele gekozen stukjes van mystieke en spirituele auteurs die meer thematisch zijn. Daarin hoop ik dat onze nieuwsgierigheid om dergelijke auteurs diepgaander te leren kennen kan opgewekt worden, zodat ze ons kunnen brengen tot het vinden van Gods wil voor ieder van ons.
Wie in deze spirituele literatuur verder wil kunnen doordringen organiseert de Vereniging zalige Jan van Ruusbroec binnenkort een driedaagse retraite waar we in diepe teksten van Ruusbroec de Wonderbare zullen dringen. We zullen er vooral stilstaan bij teksten die ingaan op wie God is, wie wij zijn, en waarom God ons geschapen heeft. Daarbij zullen we ook stilstaan bij Gods overgrote, ja duizelingwekkende liefde die Hij voor ons mensen heeft.
Deze retraite zal doorgaan van maandag 4 tot woensdag 6 mei in het spiritueel centrum Onze Lieve Vrouw van de Gereichtigheid. Jullie vinden op de website van de vereniging meer inlichtingen over. De inschrijvingen moeten binnen zijn vóór 16 april. De plaatsen zijn beperkt, wacht dus niet al te lang indien jullie deze intensieve maar toegankelijke retraite willen bijwonen in dat prachtig kader vlak naast het Zoniënwoud.
Je kan de website van de Vereniging zalige Jan van Ruusbroec bezoeken met het korte doorverwijsadres: "jvr.4god.be". Je moet die schrijven in de adresbalk van je internet browser, dan kom je op deze website terecht. De vier van 4god is het getal 4 en niet het woord vier voluit geschreven; het is te begrijpen in de zin van vieren in de gebiedende wijs. Ik herhaal het adres even: jvr.4god.be. Je komt dan op de vernieuwde welkomstpagina aan.
Meer informatie over de intensieve retraite in de maand mei - evenals hoe je kan inschrijven - vind je op deze welkomstpagina. Hopelijk kunnen sommigen onder jullie je daarvoor vrij maken en kunnen we elkaar daar ontmoeten.
Onderaan de hoofding van deze welkomstpagina vind je de naam "Activiteiten". Als je daar met je de muis van je computer op zet, vouwen er andere verwijzingen eronder uit. Daar vind je onderaan de lijst de verwijzing naar de "Audio bijdragen". Door daarop te klikken spring je naar een plaats verderop deze pagina met een tekstje waarin je verdere uitleg en verwijzing vindt naar de teksten van deze en al de voorbije bijdragen. Daarnaast in de rechterkolom vind je eveneens verwijzingen naar de laatste vijf of zes bijdragen van Radio Maria.
Beste luisteraars, ondertussen hopen we dat deze woorden over "Het Rijk van God in onze zielen" jullie hart nogmaals hebben kunnen raken, en mogen we jullie volgende keer opnieuw rekenen onder onze trouwe toehoorders. Tot de volgende keer.
De tekst werd vrij vertaald uit de "Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden" van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch.
| U luisterde naar het programma Mystieke Lectuur, waar we deze keer hebben gelezen uit de "Het Rijk van God in onze zielen", een boeiend en beeldrijk werk uit de rijke schat van de Christelijke Spirituele Literatuur. |
Digitale bijdragen
Via YouTube worden regelmatig filmpjes beschikbaar gesteld. Daardoor wil de vereniging ook mensen te hulp komen met middelen die de moderne media tegenwoordig mogelijk maken.
Momenteel kunnen ze enkel via deze website gevonden worden, en worden ze niet voorgesteld aan mensen die op YouTube surfen of opzoekingen doen.

