Wat is een spiritueel of geestelijk leven? - Aflevering 4
NegenNenzestigste editie
Mystieke lectuur voor Radio Maria België
Je kan de uitzending via deze webpagina van Radio Maria herbeluisteren.
Je zal een keuze moeten maken voor een van de uitzendingen.
Op de pagina van je keuze vind je na een korte omschrijving onderaan op die pagina
de mogelijkheid om deze bijdrage via een podcast te herbeluisteren.
Welkom beste luisteraars.
In de vorige editie van Mystieke Lectuur hebben we verder gepoogd om de realiteit van ons geestelijk leven meer van nabij te bekijken. Het is hetgene dat we in al de bijdragen van Mystieke Lectuur als doel hebben gehad, en dat zal nog blijven.
We hebben een paar edities geleden aan Romano Guardini gevraagd om ons uit te leggen wat er gebeurd is met Lucie Christine en Jeanne Schmitz-Rouli. Guardini was een groot spiritueel theoloog, geboren in 1885 te Verona, Noord-Italië, en overleden in 1968 te München in Duitsland. Hij is een mooi voorbeeld van een contemplatieve theoloog.
Daarna zijn we bij Sint-Bernardus te rade gegaan, met een stukje waarop hij getuigt hoe hij God in zijn leven heeft ontdekt. Aan het einde stonden we stil bij de concrete, aanwijsbare dingen die in ons leven veranderen. Sint-Bernardus bracht ze ter sprake toen hij zich afvroeg langs waar God dan wel bij hem is binnengekomen, en hoe hij geweten heeft dat Hij daar was.
Daarna zijn we blijven stilstaan bij Moeder Theresa met haar spiritueel testament. Daar hebben we gezien dat het niet altijd rozegeur en maneschijn is als we Gods wil volgen in ons leven. En toch zien we daar, dat zelfs die diepste nacht op onze spirituele levensweg, nog niet donker en eenzaam genoeg is om ons van onze diepe vreugde en geluk te beroven. Wanr precies daarin ontwaren we een zuivere overgave om in alles Gods wil te vervullen.
De vorige editie eindigden we met het beeld van een venster dat Sint-Jan-van-het-Kruis ter hand neemt. Hij gebruikt dat beeld om ons het proces van omvorming in ons geestelijk leven te helpen helder te begrijpen. Hij zegt dat degene die het Evanglie doorgeeft, het doorgeeft niet door reflectie, maar door transparantie. Met het voorbeeld van een venster, zegt hij dat we het licht slecht doorgeven wanneer we het venster kunnen zien. M.a.w. als we willen evangeliseren, mogen wij niet in de weg gaan staan, maar moeten we omgevormd worden in het licht van God. Daarvoor moeten we uiteraard zuiver zijn. Want als het onzuiver is en er bijvoorbeeld plekken op zijn, dan valt het raam op. Een venster evenmin een spiegel, want we kunnen of mogen het Woord van God niet weerkaatsen. Maar wanneer we omgevormd worden door het licht van God, dan is het God die (door ons) evangeliseert. Het zijn dus niet wij die evangeliseren, maar God.
Dit schijnt velen echter als ontoelaatbaar over te komen. Als we louter vanuit een menselijke manier naar het Evangelie kijken, zijn er weinig christenen en pastores die zullen toegeven dat dit werk van eenheid met God boven alles gaat. Wij zijn namelijk geneigd om de vrijgevigheid met de caritas of naastenliefde te verwarren. We denken dat het Evangelie een product is dat we moeten exporteren en dat we moeten geven, daar waar het een boodschap is, (goed) nieuws, een openbaring. Er is geen andere manier om iets aan te kondigen of te openbaren dan door ervan te leven.
Laten we nog even een stukje van de tekst die Moeder Theresa ons nalaat te hernemen:
| Ik kom met mijn genade om uw hart te raken en uw leven te transformeren (om te vormen). Ik kom met mijn vrede, die vrede en sereniteit gaat brengen tot uw ziel. Ik ken u van binnen en vanbuiten. Ik ken alles van u. Zelfs de haren op je hoofd, ik heb ze allen geteld. Niets van uw leven is zonder belang in mijn ogen. Ik heb u doorheen al die jaren gevolgd en ik heb je altijd bemind, zelfs toen je op dwaalwegen waart. Ik ken elk van uw problemen. Ik ken uw noden en zorgen. |
In het 6e hoofdstuk van het Evangelie van Sint-Jan, als antwoord op de vraag van zijn toehoorders: Wat moeten we doen om de werken van God te verrichten? Zegt Jezus ons het volgende: "Dat jullie geloven in Hem die Mij gezonden heeft." Méér is het niet. Het ben ik niet die dat uitgevonden heb, het is Jezus die dat zegt. Maar 2000 jaar lang lezen we dat wel, maar we zeggen: "Ja, maar ik moet onze goede God toch helpen, hij heeft zoveel te doen... en het is zo dat we de charitas vervangen door de generositeit. En we gedragen ons zoals ouders die denken hun kinderen lief te hebben door steeds meer uit te geven om speelgoed te kopen, maar ze nemen amper of nooit de tijd om ermee te spelen of om hen als persoon de echte aandacht te geven waar ze werkelijk nood aan hebben. En toch denken we zo makkelijk dat door kinderen te overladen met geschenken, we hen liefhebben en beminnen.
Hetzelfde geldt wat betreft onze dienst aan God. Als je op zondag aan de mensen tijdens de preek vraagt om geld te geven tegen de honger in Afrika, zullen ze wellicht onmiddellijk naar hun geldbuidel tasten, maar als je hen vraagt om na de mis 5 minuten tijd te nemen voor aanbidding of om eenvoudig beschikbaar te zijn voor de Heer, want Hij is daar, dan kan dat niet want ze hebben iets om te doen, ik heb vrienden die komen, ik moet de aardappelen van het vuur afnemen, enz.
Lees het vervolg van de uitzending of Luister naar deze bijdrage
Over dit initiatief
De bijdragen van Mystieke Lectuur worden gebracht door priester Paul Van der Stuyft, moderator van de Vereniging zalige Jan van Ruusbroec. Het is een vzw die werd opgericht met het oog mensen te helpen leven zoals God het voorzien of gepland heeft.
Ze wil uiteraard heel in het bijzonder haar leden ondersteunen in hun innerlijk leven en apostolaat.
Dat doen we aan de hand van inzichten en raadgevingen die vele heiligen en mystiekers ons hebben nagelaten.
Zoals de naam van onze vereniging doet vermoeden, doen we dat onder andere met de zeer diepe en rijke teksten van de zalige Jan van Ruusbroec.
We willen geen grote theorieën rond de oren slaan, maar stellen ons met een ontvankelijk hart open voor het Woord van God. Dat Woord heeft gedurende meer dan 20 eeuwen zoekende mensen aangesproken en geraakt. Velen hebben zich er spiritueel aan gevoed, en hebben er met hun leven van getuigd.
De literatuur die we lezend proberen te begrijpen en te duiden, heeft generaties mensen geholpen om dichter te komen bij het mysterie van ons christelijk geloof.
De vereniging wil haar steentje bijdragen bij het bekendmaken van deze christelijke spirituele schat door sessies, retraites, recollecties, lezingen, enz.
Het Centrum zalige Jan van Ruusbroec is de zetel van onze vereniging, en is eveneens de plaats waar een deel van onze activiteiten doorgaan.
Vervolg van deze bijdrage van Mystieke Lectuur
De meeste mensen zullen zeggen, dat tijd nemen voor aanbidding of om eevoudig beschikbaar te zijn voor de Heer tot niets dient. Dat wil zeggen dat ze ervan uitgaan dat liefhebben zogezegd tot iets moet dienen. Maar als het tot iets anders moet dienen dan tot de liefde voor diegene die men liefheeft, dan is het eigenlijk geen liefhebben meer.
Ik geef hier het voorbeeld van een huisvader, die een mooi geschenk had gegeven aan zijn zoon, en hij (de vader) wou me laten zien, hoe het werkte. En hij zei aan zijn zoon, "maar neen, je weet niet hoe het werkt", maar toch amuseerde de zoon zich ermee, echter niet zoals de vader het voorzien had. Wat de vader eigenlijk wou, dat was om zelf ermee te spelen, en de zoon... die telde in feite niet mee. Het geschenk was een voorwendsel, maar de vader gaf er zich geen rekenschap van. En ik vermoed dat veel van onze pastorale initiatieven er meer zijn om onszelf plezier te doen en in een goed daglicht te stellen, dan wel onze Lieve Heer. We doen het uiteraard in naam van de Heer. We moeten weten dat dit niet onbelangrijk is. Het wil in feite zeggen dat we de Heer voor onze kar spannen in plaats van Zijn wil te doen en Hem waarlijk en oprecht te dienen!
We geven God makkelijk een eervolle plaats in ons leven en werken, maar niet makkelijk de eerste plaats. Nochtans is het de eerste plaats die Hij verdient, en die we Hem moeten geven willen we het Evangelie waarlijk beleven.
We gaan nu een stuk lezen van een tekst van Laurenzo Scupoli. Niettegenstaande hij geen tijdsgenoot is van de Heilige Franciscus van Sales, noemde die hem zijn "dode" geestelijke leider, terwijl hij zijn boek "De Geestelijke strijd" uit zijn binnenzak haalde.
Dit eerste paragraafje dat we lezen, geeft een goede samenvatting van wat het gebed eigenlijk is. Het is God zelf die het eigenlijk in ons verricht.
| In zijn liefde voor ons, is God niet meegetrokken geweest door enige noodzaak of dwang. Enkel zijn eigen en natuurlijke goedheid heeft hem gebracht tot een zo grote en onbegrijpelijke genegenheid voor ons. Het is uit pure vrijgevigheid dat Hij zich volledig aan ons heeft gegeven. Aan ons, die nochtans Zijn zeer onwaardige schepsels zijn. Ik zie goed mijn God, in het licht van uw hevige liefde, dat ge maar een doel hebt, nl. om mij meer dan ooit en op de meest duidelijke manier de zuivere liefde te openbaren die gij voor mij hebt. Het is niet dat ge mij nodig hebt, maar ge wilt dat, al levende in mij en ik in u, dat ik uzelf word in eenheid van liefde. En dat mijn arm aardse hart, nog enkel maar één is met uw goddelijk hart. |
Het enige dat God door zijn zuivere liefde niet kan doen - Hij die nochtans hemel en aarde geschapen heeft - dat is namelijk ons te verplichten om zijn liefde te aanvaarden.
Marguerite Marie, van Parai-le-monial, je weet wel, met de cultus van het Heilig Hart, in een zeer mooie basiliek. Jezus vraagt aan Marguerite Marie (en door haar aan ieder van ons): "Geef mij je hart". Want de rest, ... dat heeft hij reeds. Hij heeft hemel en aarde geschapen, Hij heeft het niet nodig dat we hem (hierbij) helpen.
Als Jezus zegt aan zijn discipelen, gij zijt onnutte knechten, dan zegt hij niet: jullie zijn dienaars die voor niets goed zijn, Hij zegt eenvoudigweg dat het niet voor het nut is, laat staan voor de efficientie, dat Hij ze dicht bij Hem wilde hebben. Hij verlangde verbonden te zijn met hen, één te zijn met hen.
Laten we nog even luisteren naar een stukje van die tekst van Laurenzo Scupoli :
| Ik zie goed mijn God, in het licht van uw hevige liefde, dat ge maar een doel hebt, nl. om mij meer dan ooit en op de meest duidelijke manier de zuivere liefde te openbaren die gij voor mij hebt. Het is niet dat ge mij nodig hebt, maar ge wilt dat, al levende in mij en ik in u, dat ik uzelf word in eenheid van liefde. En dat mijn arm aardse hart, nog enkel maar één is met uw goddelijk hart. |
We lezen nu een tweede tekst, waarin de praktijk van het gebed behandeld wordt. Deze van de vitale uitwisseling met de beweging namelijk van het uitademen of beter gezegd van het inademen. Want God ademt uit, en in het ontvangen ademt de mens in.
Jean Nicolas Grou is een auteur die we tegenwoordig niet meer zeer goed kennen in België, maar die fundamenteel is geweest voor de christelijke heropleving van de spiritualiteit in de XIXe eeuw in Frankrijk en in onze contreien na de Franse Revolutie. Zijn invloed is dus ook bij ons voelbaar geweest. In vele bibliotheken van kloosters en abdijen van bij ons waren zijn boeken te vinden, en werden er veel gelezen. Laten we die tekst nu even lezen:
| "Ik sta voor de deur en ik klop. Als iemand mijn stem hoort, en de deur voor mij open doet, dan zal Ik bij hem binnenkomen, en maaltijd met hem houden, en hij met mij." (Ap. 3,20) Terwijl we hier beneden zijn, is het enige verlangen van God om binnen te komen in ons hart en er te regeren, niet voor zijn eigen geluk te bewerk(stellig)en: wat zou Hij wel nodig hebben van ons om gelukkig te zijn? maar om ons geluk te bewerken, niet enkel voor de eeuwigheid, maar reeds vanaf dit leven; want het is zeker, én door de rede, én door het geloof, én door de ervaring, dat er geen enkel geluk bestaat voor de mens buiten God. |
We horen het dus: "Het enige verlangen van God is om binnen te komen in ons hart en er te regeren", en dat stelt ons de vraag in onze actieviteiten, in onze aankondiging van het Evangelie, in ons pastoraal bezig zijn, waarvoor we het eigenlijk doen? Is het duidelijk in alles wat we doen, dat we ons regelen op dit unieke verlangen van God? Waarover praten we in onze kerken en pastorale activiteiten? Wat beweren we te verkondigen?
Luisteren we nog even naar een kort stukje tekst van Jean Nicolas Grou:
| Wat doet God om voor ons dat geluk te bewerkstelligen? Hij houdt zich zonder ophouden aan de deur van ons hart; Hij klopt er aan door het licht dat Hij ons geeft, door de goede ingevingen, door het berouw, ten einde ons te brengen tot het zoeken van het goed, en tot het vluchten van het kwaad. |
Let wel op! als je Grou leest, gebruikt hij een bepaalde woordenschat die vaak meer met moraal te maken heeft dan wel met het geestelijke. Maar het is uitsluitend de woordenschat die hij gebruikt. Hij wil echter helemaal niet moraliseren. Over het zoeken hier van het goed en het vluchten van het kwaad, zou Sint-Jan-van-het-Kruis bijvoorbeeld eenvoudig zeggen, "zoekt Jezus, en ontvlucht wat u verwijdert van Jezus". Nu volgt in de tekst die we zullen lezen het meest beslissende om de praktijk van het gebed te begrijpen: "Als we aandachtig zouden zijn geweest, ..."
| ... Als we aandachtig zouden zijn geweest, als we ons regelmatig zouden hebben ingekeerd in ons hart, dan zouden we gemerkt hebben dat hij er op elk moment aanklopt, en dat, als we Hem niet horen, dat we ons buiten de mogelijkheid (of de staat) stellen om Hem te horen. Hij klopt er onophoudelijk aan (zonder te versagen) gedurende lange jaren, of beter gezegd, gedurende heel ons leven. Zijn geduld om op ons te wachten is onvoorstelbaar; Hij ondergaat lijdzaam onze minachting, onze weerstand, onze koppigheid met een goedheid, een volharding die elke manier om het uit te drukken of te verwoorden overtreft (en ver te boven gaat). |
Het belangrijkste waar we hierbij willen stilstaan is: "Als we ons regelmatig zouden hebben ingekeerd in ons hart." We hebben reeds in een van de vorige edities gezegd dat het hart eerst en vooral de plaats is van de wil, en niet het gevoel. Het doet er niet toe om zich te overtuigen en in onszelf de indruk op te wekken dat God ons graag ziet, het komt erop aan naar de plaats te gaan langs waar Hij onze ziel binnenkomt.
Als we gesproken hebben aan het begin van de tekst van Grou, namelijk wanneer de Apocalyps gesproken heeft van de deur op dewelke God aanklopt, dan is het niet dat God langs de buitenkant aankomt. Want vaak denken we dat Hij langs buiten tot ons komt. Welneen, het is aan een deur langs de binnenkant.
De geestelijke meesters spreken ons over het binnenkomen van Jezus in het senakel na de verrijzenis, terwijl alle buitendeuren gesloten waren. Alle geestelijke meesters zeggen dat de inkeer het onthalen van God, niet de concentratie is, maar wel het onthaal, de aandacht nl. aan Iemand die binnenkomt van binnen of van boven onszelf. Zoals Sint-Augustinus het ons zegt: "Waar zal ik u vinden Heer, tenzij in mij, boven mezelf,".
We hernemen nog een stukje van Jean Nicolas Grou om het dieper te overwegen in ons hart:
| Terwijl we hier beneden zijn, is het enige verlangen van God om binnen te komen in ons hart en er te regeren, niet voor zijn eigen geluk te bewerk(stellig)en: wat zou Hij wel nodig hebben van ons om gelukkig te zijn? maar om ons geluk te bewerken, niet enkel voor de eeuwigheid, maar reeds vanaf dit leven; want het is zeker, én door de rede, én door het geloof, én door de ervaring, dat er geen enkel geluk bestaat voor de mens buiten God. |
Ruusbroec de Wonderbare zegt dat ook zeer goed. God werkt altijd "van binnen". God en de bovennatuur gaat altijd van de binnenkant naar de buitenkant, terwijl de mens en het antwoord van de mens, ons werken, gaat altijd van de buitenkant naar de binnenkant. Want daarvoor hebben wij mensen enkel de middelen van de natuur ter onzer beschikking. Hierbij vinden we terug wat we in een vorige editie aangeduid hebben als de fundering van het Christelijk leven: het is een ontmoeting waarbij de ene zich aan de andere openbaart, Christus en ik. Deze wederzijdse ontmoeting en openbaring is de grond van het Christelijk leven.
Dat définieert eveneens de weg van onze inkeer in de praktijk van het inwendig gebed. Het gebed zal het aanleren zijn van deze inkeer, en zeker niet het resultaat of het product van een concentratie, maar wel de aandacht aan degene die langs de binnenkant aanklopt en vraagt om binnen te komen.
Jean Nicolas Grou zegt ons dus dat "als we Hém niet horen (die aanklopt aan onze deur), dan is het dat we ons buiten de mogelijkheid (of staat) stellen om Hem te horen". Er is bij gevolg geen gebed mogelijk zonder deze bekering die maakt dat ik zeg: "Ik hou me niet bezig met datgene wat niet Jezus is, om Jezus te horen." En wanneer we dat niet doen, dan zal wat we doen enkel een mentale oefening zijn, en dan kunnen we beter op internet al de recepten opzoeken van de transendentale meditatie of andere dingen van die aard. In dat geval vervangen we God enkel door het idee van God. In het echte gebed is het echter geen idee dat we onthalen. In onze inkeer is het God zelf, het is de relatie, het is een ontmoeting met Iemand, met dé Persoon!
Deze houding of verhouding is niet intellectueel, ze is zoals deze van een mama die aandacht geeft aan haar kindje dat in de wieg ligt. Je ziet, het is een vitale houding. En toch belet die houding niet dat de mama zich bezig houdt met de rest van haar bezigheden en verantwoordelijkheden. Door aandacht te geven aan haar kind is ze niet bezig met het oplossen van moeilijke problemen. Het gebed is niet een intellectuele realiteit. Het is een existentiele realiteit. Het gebeurt eenvoudigweg wanneer ons leven geheel is zoals elke liefdeservaring, gepolariseerd door de persoon die we liefhebben. Ze is zoals een magneet aangetrokken, ingetrokken. Je kan het vergelijken met iets als een magneet dat ijzer aantrekt.
Wanneer men de vraag stelt: "Wat is de contemplatie", dan zeg ik: "het is te vergelijken met een mama die met haar kind begaan is". Het is zeker niet een abstact iets.
Het gebed is dus in feite niets anders dan de radicalisatie van wat we tijdens ons doopsel hebben beleden: "Ik laat alles vallen wat niet Jezus is, om me met Hem bezig te houden."
Als we het gebed aanzien als een deel, een aspect van ons leven, dan zullen we nooit echt tot gebed komen.
In het Evangelie zien we dat Jezus uniek is. Niemand in de geschiedenis van de mensheid heeft ooit durven zeggen wat Jezus heeft gezegd in het Evangelie. "Laat alles vallen en volg mij!" Dat is het nochtans wat Christen zijn betekent! Het vraagt een groot geloof en vertrouwen om alles los te laten en ons in Gods handen toe te vertrouwen.
Dus verstaan we nu wellicht dat het gebed onmogelijk is als God het ons niet geeft. Want vanuit onszelf, zou ik zeggen, kunnen we niet zover geraken. Het is niet mogelijk omdat onze natuur wil bezitten, ze wil gebruiken, ze wil winnen en overwinnen. Het is dus noodzakelijk dat God dit alles in ons tot stand wil brengen en ons helpt het te beleven, want anders is het gewoonweg onmogelijk.
Dat verklaart dan ook de tekst die we nu zullen lezen. Een tekst die van een groot Benedictijnse hervormster van de XVIIe eeuw in Frankrijk komt, Marguerite d’Arbouze (1580-1626). Dat is iemand die jullie wellicht evenmin zullen kennen... Zelfs in Frankrijk is ze niet zeer goed gekend, en toch verdient ze gekend te zijn.
Laten we luisteren naar wat ze ons wil meegeven:
| Het inwendig gebed is een gave van God die zijn goddelijke Geest geeft aan wie Hem behaagt, wanneer het Hem behaagt, en op de manier waarop het Hem behaagt. En het is wat de Schrift ons zegt: "De Geest waait waar Hij wil." ... Het gebed is dus een werking van de Geest van God in onze zielen, en daarom is het dat we ons méér moeten overgeven aan Hem, dan handelen door onze eigen middelen en werken. Trouwens, zoals alle Vaders zeggen, het gebed is een opheffen van de ziel boven haarzelf en boven alle geschapen dingen om zich te verenigen met God. Daarvoor moet Hijzelf ons in Hemzelf opheffen door Hemzelf. |
Laten we onmiddelijk een stuk van de net gelezen tekst hernemen om het dieper te laten doordringen in ons hart.
| de Schrift ons zegt: "De Geest waait waar Hij wil." ... Het gebed is dus een werking van de Geest van God in onze zielen, en daarom is het dat we ons méér moeten overgeven aan Hem, dan handelen door onze eigen middelen en werken. Trouwens, zoals alle Vaders zeggen, het gebed is een opheffen van de ziel boven haarzelf en boven alle geschapen dingen om zich te verenigen met God. Daarvoor moet Hijzelf ons in Hemzelf opheffen door Hemzelf. |
Wellicht zijn sommigen van de luisteraars een beetje ontgocheld dat men niet spreekt van een techniek om te bidden. Maar we moeten beseffen dat niemand uit zichzelf kan bidden. De zusters en paters kunnen niet beter bidden dan jullie, dan mezelf, dan de Paus, dan wie dan ook... want het is een gave van God.
"Een gave die God geeft aan wie het Hem behaagt, wanneer het Hem behaagt, en op de manier waarop het Hem behaagt". We vinden dat bij alle, bij absoluut alle Christelijke meesters. We vinden dat bij Sint-Ireneüs in de IIe eeuw, we vinden het in de 20e eeuw bij Guardini en bij veel anderen.
In de pas gelezen tekst, citeert Marguerite d’Arbouze ons Sint-Paulus als hij het in de Romeinenbrief (8:26-27) het heeft over: "De werking van de Geest van God in onze zielen." Sint-Paulus zegt daar het volgende: "Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.
Dit wil eveneens zeggen dat het niet nodig is om intelligenter te zijn dan de anderen om te kunnen bidden. Soms wordt er in sommige kringen neergekeken op mensen, ja, jammer genoeg soms zelfs in abdijen en kloosters, waarbij men zegt dat de ene of de andere te dom om te kunnen bidden. Dat wil dan eigenlijk evenzeer zeggen dat de degenen die dat oordeel vellen evenmin kunnen bidden.
Het is daarvoor dat we ons moeten toevertrouwen (in overgave) aan God. Het woord "overgave" is heel benagrijk in de geestelijke traditie.
We zullen niet zeer ver gaan in het bespreken van dat woord "overgave" (de overgave namelijk aan de goddelijke voorzienigheid). Het begrip overgave toont ons, niet het gebrek aan verantwoordelijkheidszin: "God zal wel doen wat Hij wil", maar het toont de verantwoordelijkheid die we hebben om ons geheel aan God over te geven.
Zijn eigen verantwoordelijkheid op zich nemen, zal dan ook veronderstellen om die overgave te leren beoefenen. Het zal een gehele pedagogie veronderstellen, en het is precies deze missie die de Kerk ons geeft. Deze verantwoordelijkheid mogen we niet minimaliseren of laat staan verwaarlozen, en dit namelijk opdat onze overgave waarachtig menselijk zou zijn, vrij en verantwoord. Het wil dus helemaal niet zeggen dat we passief en lui zouden zijn om God maar alles te laten doen wat Hij wil, en dat wat het ook zij, het me allemaal geheel onverschillig laat. Zoiets als: het is me al gelijk.
Er is nog een ander probleem in dit paragraaf: "het gebed, zeggen de Vaders, is een opheffing boven zichzelf." Niettegenstaande het probleem minder erg is in het Nederlands dan in de oospronkelijke tekst in het Frans, maar als we zeggen dat het gebed een opheffing is, dan verstaan we allen gewoonlijk dat we de trap moeten nemen, en zeker geen lift. En dus maken we van het gebed een menselijke productie, een menselijke inspanning, daar waar we ons moeten laten opheffen door God, zoals door een lift.
Een veel gemaakte fout bestaat erin dat we het vocabularium van de moraal met deze van de religie verwarren. Met als gevolg dat velen zich laten ontmoedigen: want ik raak niet tot aan de hemel, ik kan er me niet toe opheffen. En dat alsof men het van ons vroeg om ons tot de hemel te verheffen.
Het is een totaal vergeten Christelijk mysterie, dat het niet de mens is die opklimt (naar God), maar het is God die neerkomt (tot de mens). Dat noemt de incarnatie. God komt tot ons in Christus om ons tot de Vader te voeren.
En als de geestelijke meesters van opstijgen of opgaan spreken, dan spreken ze niet van klimmen, maar zoals de luchtballon, die zonder moeite als vanzelf opstijgt. In dat geval zou het een serieuze inspanning vragen om niet te stijgen, dan wel om te stijgen. En de overgave is dus (met de hulp van dit beeld) het ons op verantwoorde weize plaatsen onder de atmosferische druk die ons doet stijgen. En dus niet door de middelen te nemen om de hemel te beklimmen. Want hoe meer men stijgt, hoe meer men ziet en beseft dat men er niet toe is gekomen uit eigen krachten.
Ruusbroec spreekt ook over dat opklimmen/uitstijgen boven onszelf. Dat is iets dat wijzelf niet kunnen bewerken, wij kunnen niet opklimmen boven onszelf want God alleen kan ons optrekken boven onszelf.
De hele leerschool van het gebed bestaat er dus in om in niets deze werking van God te belemmeren. Wij kunnen niets bewerkstelligen of produceren in het Christelijk leven, wij hebben enkel de draden, koorden,... door te knippen die ons vast houden en belemmeren om op te klimmen, om vergoddelijkt te worden.
Sint-Jan van het Kruis gebruikt hierbij het beeld van een koordje dat bekwaam is om de vogel te beletten om te vliegen. Het volstaat om dat koordje door te knippen en de vogel vliegt weer zonder mooite.
Als we de geboden van God bekijken, dan zien we dat de positieve geboden, dat wil zeggen, deze die ons zeggen wat we moeten doen, enkel bestaan uit: gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart..., en al de rest zijn negatieve geboden, wat we niet moeten doen, niet stelen, anders is dat een draad of koord die u belet om te stijgen, ge moet niet doden, ..., niet liegen, ..., maw, het is niet vermoeiend. Je moet niets produceren, het zijn dingen die niet te produceren zijn, enkel de positieve, die men zelf moet verlangen, zoals een positieve actie, het is God liefhebben, loven, prijzen, aanbidden, dienen, etc. Maar vervolgens zegt hij eenvoudigweg wat we niet moeten doen. Want wat moet gedaan worden, dat is God die het zal doen, zodra ge in zekere zin met/op Hem zult zijn verbonden/geënt.
Er is een mooie uitdrukking van een specialist (die nu is overleden, maar die een groot specialist was van de kleine Theresia van het Kind Jezus). Hij geeft ons het geheim van de H. Theresia van het Kind Jezus mee. Hij leert ons namelijk: dat het deel van de mens in de actie, de contemplatie is. Het is Mgr. Combes die dat gezegd heeft. "Het deel van de mens in de (bovennatuurlijke) actie, is de contemplatie.
Ziezo, met al deze teksten en bedenkingen is onze editie van Mystieke Lectuur weer aan haar einde gekomen. Hopelijk hebben deze stapjes op de ontdekkingstocht van ons spiritueel leven jullie geholpen om die realiteit van jullie leven weer uit de vergeethoek te halen.
In de volgende edities gaan we verder op deze tocht, maar zullen we stilaan stukken gaan lezen van een van de grote spirituele auteurs vanuit de Devotio Moderna, namelijk uit het werk "De navolging van Christus" van a Kempis (of Thomas van Kempen). Dat werk is namelijk een echte bestseller geweest gedurende heel lange tijd. We zullen er af en toe ook bij stilstaan dat hij heel veel mensen heeft geïnspireerd, en geholpen om hun spiritueel avontuur verder te ontdekken en goed te beleven.
| U luisterde naar het programma Mystieke Lectuur, waar we deze keer hebben gehandeld over ons spiritueel leven, met enkele sterke teksten uit de rijke schat van de Christelijke Spirituele Literatuur. |
Digitale bijdragen
Via YouTube worden regelmatig filmpjes beschikbaar gesteld. Daardoor wil de vereniging ook mensen te hulp komen met middelen die de moderne media tegenwoordig mogelijk maken.
Momenteel kunnen ze enkel via deze website gevonden worden, en worden ze niet voorgesteld aan mensen die op YouTube surfen of opzoekingen doen.

