De onuitsprekelijke zoetheid van het gelukzalige leven, het lezen zoekt het, de meditatie vindt het, het gebed vraagt het, de contemplatie smaakt het.


Guigo de Kartuizer, De ladder van het Paradijs.

Vasten, bij de heiligen in de leer

De derde week van de 40-dagentijd


Zondag 3 maart 2024

derde zondag van de Vasten

"Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen."

Welke goden aanbidden wij? Onze dierbare gezondheid? Onze loopbaan? Onze bankrekening? De vraag stelt zich van zodra wij zeggen of denken: de gezondheid eerst, mijn loopbaan eerst, mijn bankrekening eerst. Dit "eerst" is absurd, wat het plaatst ons op de plaats van God. Wel,

in deze wereld niets gebeurt zonder het bevel of de toelating van God. Niets bestaat tenzij door Hem. En al wat Hij geschapen heeft, behoedt en bestuurt Hij met liefde om het naar zijn doel te leiden. Terwijl Hij het gesternte beheerst en de omwentelingen van de aarde in handen heeft, werkt Hij mee met de arbeid van de mier, met de geringste beweging van de insecten die wemelen in de lucht, met die miljoenen atomen die in een druppel water leven. Zonder Hem beweegt geen blad, vergaat geen grasspriet, wordt geen zandkorrel door de wind meegenomen. Zorgzaam waakt Hij over de vogels in de lucht, de leliën op het veld; en aangezien wij meer waard zijn dan een zwerm mussen, zou Hij Zijn kinderen op de aarde niet kunnen vergeten.

Wijsheid is dus niet zich als concurrent van God opstellen om Zijn voorzienigheid te omzeilen, maar leven als kind van God, met al het vertrouwen dat Zijn oneindige goedheid verdient:

"Ik heb honger, God denkt eraan; ik heb dorst, God denkt eraan; ik onderneem een werk, God denkt eraan; ik moet een levensstaat kiezen, God denkt eraan; in deze staat doen zich bepaalde moeilijkheden voor, God denkt eraan; om aan die bekoring te weerstaan of die plicht te vervullen, heb ik die genade nodig, God denkt eraan; op mijn reis naar de eeuwigheid, heb ik voor ziel en lichaam dagelijks brood nodig, God denkt eraan ..." Ik, die slechts een onaanzienlijk atoom in de wereld ben, houd aldus dag en nacht, onophoudelijk en overal, de gedachte en het hart bezig van mijn Vader in de hemel.

Jezus geeft ons het voorbeeld van dit vertrouwen:

Heel het leven van Jezus was niets anders dan gehoorzaamheid en overgave. Deze gehoorzaamheid en overgave van Jezus hebben hun oorsprong in Zijn liefde voor Zijn Vader; het is een volheid aan overgave want het is een volheid aan liefde: kinderlijke liefde, vertrouwend, belangloos, edelmoedig, zonder voorbehoud; liefde die overloopt van dankbaarheid voor alle weldaden die Hij in Zijn heilige Mensheid ontvangen heeft; liefde vol ijver, toewijding en nederigheid.

Maar Jezus doet veel meer dan ons een voorbeeld geven: waar de gerechtigheid van God ons zou moeten in de steek laten door ons gebrek aan vertrouwen – want dat is de zonde – draagt Jezus daar alle gevolgen van, opdat de goedheid van onze Vader niet ten koste van Zijn gerechtigheid zou zijn:

Als slachtoffer, beladen met de zonden van de hele wereld, vindt Hij dat alle kastijdingen op Hem moeten neerkomen, dat geen enkel lijden te veel is om de glorie van Zijn Vader te herstellen en Zijn verdwaalde en zo gekoesterde kinderen terug bij Hem te brengen.

Dom Vital Lehodey, Le Saint Abandon (Heilige Overgave)


Maandag 4 maart 2024

"Geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad."

Jezus wordt juist verworpen door degenen die Hij was komen redden. Het is een eeuwige wet in de heilsgeschiedenis, heel simpel omdat het eerste gevolg van de zonde waarvan wij moeten verlost worden, dit onbegrip is: Adam vlucht weg van God op het ogenblik dat Deze alleen maar zegt voor hem te willen zorgen. Aangezien "het christenleven een voortzetting en vervulling is van het leven van Jezus in ons" (heilige Jean Eudes), hoe kunnen wij dan als christen leven in een wereld die Hem niet wil begrijpen, en het ongetwijfeld niet kan? Vergissen wij ons vooreerst niet van droefheid: het is geen ongeluk christen te zijn, maar het niet te zijn!

Wees niet bedroefd als je verneemt dat Jezus verraden werd; want wie je droevig moet maken en bitter doen weten, is de verrader Judas maar niet zijn slachtoffer, Jezus. Inderdaad, Degene die verraden werd, heeft de wereld verlost, de verrader heeft zijn ziel verloren; Degene die verraden werd, zit aan de rechterhand van de Vader in de hemel, de verrader is nu in de hel, ten prooi aan kwellingen zonder einde. Oh! hij is het die moet beweend en beklaagd worden, over hem moeten tranen vergoten worden, zoals Onze Lieve Heer zelf deed.

Oh! hoe groot is het medelijden van deze goede Meester! Degene die overgeleverd werd, weent over de verrader. Waarom was Hij bedroefd? Het was zowel om ons Zijn liefde te tonen en ons te leren altijd te wenen, niet over degene die lijdt onder het kwaad, maar over degene die kwaad berokkent, want daar ligt het grootste ongeluk. Het is zelfs geen ongeluk te lijden onder het kwaad dat men ons aandoet; maar doen lijden, dat is het grote, het enige ongeluk. En het is niet zonder reden dat ik mij zo uitdruk, want ik wil dat wij ons niet zouden ergeren over onze vijanden, maar dat wij integendeel medelijden met hen zouden hebben, wenend en zuchtend over hun lot, aangezien zij het zijn die het echte kwaad verduren door de kastijdingen die zij voor zichzelf voorbereiden.

Heilige Johannes Chrysostomus, Homilie over het verraad van Judas

Christenen strijden dus niet in de wereld om niet-christenen te overwinnen, maar opdat de Waarheid en de Liefde zouden verkondigd worden aan hen die verdwaald zijn. Het komt ons niet toe hen te oordelen, maar hun iets te geven om op hun beurt binnen te gaan in het Rijk Gods, als zij het aanvaarden:

Zwerven zonder rust te vinden, honger hebben zonder zich te kunnen verzadigen, de mens verdwaalt, zolang hij Degene die men onmogelijk niet kan verlangen, niet volmaakt met de armen van de liefde grijpt, zo onschatbaar is Zijn prijs. De overvloed van rijkdommen en genoegens, de overdaad van eerbetuigingen, kunnen zijn honger niet stillen, zolang hij God niet bereikt door het contact van de liefde. Maar eens dat hij in het edelste deel van zichzelf, dat wil zeggen in de geest, de Heer gevonden heeft, neemt hij graag afscheid van alle schepselen en zingt hij met de psalmist: "Het is mij een weldaad, God aan te hangen."

Louis de Blois, Institution spirituelle (Geestelijke onderrichting)


Dinsdag 5 maart 2024

"Zeventig maal zevenmaal vergeven!"

"Ik wil hem wel vergeven, maar op voorwaarde dat ..." Vergeving op voorwaarde is niet zoals Jezus vergaf toen Hij stierf op het kruis; het is slechts een wapenstilstand in afwachting de oorlog te kunnen hervatten. Echte vergeving is een gave; daarom

is er bijna niets zeldzamer dan vergeving. Wie van ons kwijt zich van deze plicht zoals het moet? Wel hoedt men zich ervoor te ‘zeggen’ dat men wraak wil nemen; maar men verzuimt het dikwijls te ‘doen’ al verklaart men tegelijk dat men zijn vijand geen kwaad wil doen. Als dan deze voorzorg genomen is, lijkt het echter toegelaten alles van hem te zeggen wat men weet en dikwijls zelfs wat men niet weet; men overdrijft de onrechtvaardigheid en gewelddadigheid van het voorval; men heeft er genoegen in zijn gebreken te doen opmerken; men brengt zijn daden uit het verleden in herinnering. Zeker, de naastenliefde komt er geschonden uit; het is altijd een soort van wraakneming.

Zij die zich niet willen wreken, wordt het soms echter gemakkelijk gemaakt toch wraak te nemen: men schept er genoegen in te zien dat wie ons schade wou berokkenen, zelf in de val liep die hij voor ons wou zetten; men verneemt met genoegen dat zijn manier van doen door eerlijke mensen veroordeeld wordt; men verheugt zich in de ongenade die hem te beurt valt. Ik zeg niet alleen, dat dit niet het beminnen is dat Jezus Christus van ons vraagt, maar dat dit haten is en het kwade willen; ik zeg zelfs dat het echte wraakneming is.

We moeten niet verbaasd zijn dat wij het moeilijk hebben om te vergeven: vergeving is bovennatuurlijk, want

wraakneming is van alle genoegens het meest geraffineerde; het genot ervan bevalt de natuur het meest. Niets is zo zoet dan degenen die ons haten, vernederd te zien, gedwongen om te betreuren wat zij ons aangedaan hebben. Daarom zijn wie zich op hun vijanden wreken, niet tevreden met hun veel kwaad aan te doen; zij willen ook nog dat dezen weten vanwaar en waardoor dit kwaad op hen neerkomt zodat zij deugd hebben van het spijt dat dit hun moet veroorzaken. Iemand die zich niet wreekt, wanneer hij het toch zou kunnen, ontzegt zich in het leven dus het grootste genoegen.

Iedereen geeft toe dat de haat die wij voor onze vijanden koesteren een natuurlijk effect is van onze eigenliefde; en dat wij helemaal niet anders kunnen dan haten wat tegengesteld is aan wat wij heel graag hebben; dus om te beminnen wie ons kwaad willen doen, moeten wij ophouden van onszelf te houden, wij moeten deze zo tedere en overdreven liefde voor onszelf doen omslaan in ware haat. Het is goed te zien van wie men de vijand is: van zijn eigen reputatie of van degenen die ze zwart maken; men moet een afkeer hebben van zijn eigen vlees om het welzijn te willen van wie ons de gerieflijkheden van het leven ontzeggen; in één woord, men dient het leven zelf te haten om helemaal geen kwaad te willen voor wie het van ons zouden willen roven.

Heilige Claude La Colombière, Réflexions chrétiennes (Christelijke Overwegingen)


Woensdag 6 maart 2024

"Handel naar de voorschriften en bepalingen."

Aan een bevel gehoorzamen is niet langer in de mode!

Van alle deugden, is gehoorzaamheid degene die de mens het meest kost. Zijn wil opofferen, zijn eigen inzicht opofferen, van een ander afhankelijk zijn niet alleen in zijn manier van doen maar ook in zijn manier van denken en oordelen, en dat niet voor onbelangrijke zaken of zaken met weinig gevolg, maar voor zaken die het heil en de heiligheid betreffen, is voor de mens moeilijker dan onthechting, vasten, soberheid.

Jean-Nicolas Grou, Manuel des âmes intérieures

Doch, gehoorzamen maakt slechts bang als men vergeet dat

de geboden van Jezus geen eisen zijn van de rechtvaardigheid maar van de liefde: zij vertalen de wetten van de vriendschap. Het zijn ook wetten, maar niet van moeilijke en schrikwekkende aard. Dat wil niet zeggen dat zij niet geducht zijn, integendeel zij zijn het nog meer dan een wet die vrees opwekt, maar op een andere manier.

Zij die liefhebben, weten het goed:

De sanctie van een zonde tegen de liefde, is dat men het geliefde wezen kwetst ... en dat is erger dan alles. Doch het is uiterst subtiel. De gekwetste vriend zegt niets, hij stuurt geen politie op ons af, het kan ook heel goed ontgaan dat men hem gekwetst heeft. Het is pas als men de wonde begint te helen dat men het gevoelige punt ontdekt, pas dan onthult hij zijn verdriet: zo niet, zal hij doorgaan met niets te zeggen.

Marie-Dominique Molinié, retraite gepreekt in 1969

Daarom willen zij die liefhebben, voor niets ter wereld ongehoorzaam zijn aan de wetten van de liefde. En omdat zij voor ons de weg van de ware liefde uitstippelen

zijn de geboden van God en de heilige Kerk niet zo streng als men denkt; en verstoren zij de geest niet zoals men denkt: de wet van God is een heel liefdevolle en zoete wet.

Heilige Franciscus van Sales, Introduction à la vie dévote (Inleiding tot het devote leven)

Daarom is het zinloos wet en vrijheid tegen elkaar uit te spelen: een autobestuurder heeft een verkeersreglement nodig om vrij en zonder gevaar te reizen, en wij hebben de geboden van God nodig om vrij het eeuwige leven te leiden.

Als wij bedenken dat God al wat in de wereld gebeurt, ordent en beschikt, dat Hij alle dingen beschikt voor Zijn glorie en ons grootste welzijn, en dat Zijn beschikking heel rechtvaardig en heel beminnelijk is, zullen wij wat gebeurt niet toeschrijven aan het geluk of het lot, noch aan het kwaad van de duivel of van de mensen, maar aan de ordening van God, - een ordening die wij teder zullen beminnen en aanvaarden vanuit de grote zekerheid dat ze heel heilig en heel beminnelijk is, dat zij alleen iets beveelt en toelaat voor ons grootste goed en voor de grootste glorie van onze goede God, die wij boven alles moeten liefhebben, aangezien wij alleen op de wereld zijn om de glorie van God lief te hebben en te bevorderen.

Heilige Jean Eudes, La vie et le Royaume de Jésus (Het leven en het Koninkrijk van Jezus)


Donderdag 7 maart 2024

"Wie niet met Mij bijeenbrengt, die verstrooit."

Het christenleven is geen optie tussen andere mogelijkheden: "Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden." (Hand 4,12), kondigt de heilige Petrus helemaal aan bij het begin van de verkondiging van het Evangelie. En de heilige Paulus preciseert: "Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel hetzij op aarde – en in deze zin zijn er ongetwijfeld goden en heren in menigte – toch is er voor ons maar één God, de Vader, uit wie het al voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie het al bestaat en wij in het bijzonder." (1Kor 8,5-6)

Zolang een reiziger geen landkaart noch kompas heeft, draait hij in het rond, maar omdat hij in het evangelie de weg erkent die hij zocht, weet een christen dat een leven zonder Jezus christus nergens naartoe leidt:

De mens die nog niet in Christus gelooft, is nog niet op weg: hij draait in het rond, hij zoekt namelijk zijn thuisland maar zonder de weg te kennen nog de aankomst. Wat betekent het dat hij zijn thuisland zoekt? Ieder levend wezen zoekt rust en geluk; niemand zal aarzelen te antwoorden dat het dat is dat hij wil, als men hem vraagt of hij gelukkig wil zijn! Maar hoe bereikt men het geluk en waar vindt men het, dat weten de mensen niet, en daarom draaien zij in het rond.

De Heer brengt op de weg: Zijn gelovigen geworden, gelovend in Christus, is men nog niet in het thuisland, maar begint men toch de weg te bewandelen. Want niemand bereikt de aankomst zonder op de weg te zijn, ook al bereikt niet iedereen die op de weg is, het eindpunt.

Heilige Augustinus, Sermoen 346B

Als gedoopte bevinden wij ons op de weg; maar "niet iedereen die op de weg is, bereikt het eindpunt", omdat zij hun doopsel niet ernstig namen. Inderdaad,

de genade die wij bij het doopsel ontvangen is niet een puur uiterlijk voorrecht, geen puur uiterlijke vergeving waar het hart niet bij betrokken zou zijn, geen gewoon merkteken in de ziel. De nieuwe geboorte in de Heilige Geest brengt de ziel op een hemelse manier in beweging, zij geeft ons een geestelijk leven door de ogen van onze geest te openen zodat wij God in alle dingen beginnen te zien door het geloof en wij voortdurend in betrekking met Hem blijven door het gebed.

Heilige John Henry Newman, Parochial sermons, VII (Homilies in de parochie VII)

"Op een hemelse manier in beweging gebracht." Hoe staat het met ons doopsel?

De meerderheid van ons kreeg het doopsel als kind: het waren onze ouders die op ons geloof anticipeerden. Met de kwetsbare gave van het biologische leven, gaven zij ons de waarborg op het ware leven in het doopsel. Het is aan ons om ons deze gave nu eigen te maken, steeds dieper tot de waarheid van ons doopsel door te dringen. De paasnacht nodigt ons elk jaar uit ons opnieuw in de wateren van het doopsel onder te dompelen, van de dood over te gaan naar het leven, ware christenen te worden: laat ons ontwaken uit ons futloos christendom, zonder geestdrift; laat ons opstaan en leven met Christus, het ware licht, het ware leven!

Benedictus XVI, Pasen 2005


Vrijdag 8 maart 2024

(Vlees derven - in de bisdommen waar dit van toepassing is)

"Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht."

Met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw kracht! Hoe staat het met ons?

Eigenaardig dat de mens moet aangespoord worden om God lief te hebben, die Zijn begin en einddoel is, en de enige bron van zijn geluk, en dat God zich verplicht zag hem er een gebod voor te geven! "Gij beveelt mij U te beminnen, o mijn God! zei de heilige Augustinus, alsof het voor mij niet het grootste ongeluk zou zijn U niet te beminnen!"

Ja, het is het grootste ongeluk God niet te beminnen:

Indien u de vrede kende, de vreugde, de troost en de innerlijke zekerheid van een ziel die van God is, die nog alleen God wil, en die de goddelijke beminnelijkheden van God een beetje uit ervaring kent, in plaats van verdriet, onrust, vrees, geremdheid, eigen aan zielen die helaas slaaf zijn en zullen zijn van hun hartstochten en die ondankbaar het eeuwige ter zijde leggen voor wat zo voorbijgaand is!

Alexandre Piny, Brief 101

En in feite passen wij ons redelijk gemakkelijk aan die slavernij aan. God is het echter niet waardig slechts ten dele bemind te worden:

Wij zijn op de aarde opdat God alles voor ons zou zijn. Opdat God dat zou zijn, moet Hij volledig en soeverein over heel ons wezen heersen; maar het moet uit liefde zijn en wij moeten ons van harte aan Zijn heerschappij onderwerpen.

Moed, geliefd kind van God, sterf opdat je kan leven; treed uit jezelf om in God binnen te gaan. Beeld je in, de woorden van deze grote Meester te horen: "Houd op te zijn wat je bent, dat wil zeggen die kleine mens, dat kleine verstand, dat kleine niets, die ellendige zondaar; laat die ongelukkige toestand achter je, die zo beperkte goederen, zo met kwaad vermengd, met slijk en onvolmaaktheid, om te delen in Mijn schatten en met Mij te zijn. Moge heel je leven niets anders zijn dan een voortdurend uittreden uit je ellende, je duisternis. Kom dus binnen in deze woestijn, deze eenzaamheid van geest, gedachten, genegenheden en neigingen waartoe Ik je roep opdat wij onder ons zouden zijn, wij alleen. Wanneer men je zal vragen wat je hier bent komen doen, zeg dat je er niet naartoe gegaan bent maar dat men je erheen gebracht heeft, en dat Ik het ben die je hier geplaatst heeft, en dat je hier zal blijven zolang Ik dat goed zal vinden. Zeg dat je gelukkig zal zijn in Mijn handen te vallen, overgegeven te zijn aan Mijn leiding, alleen nog door Mij te handelen, uit vertrouwen, liefde, gehoorzaamheid, overgave, verwijdering van iedere onrust en zorgen voor je leven en bezigheden, voor je dood, je volmaaktheid en al wat je aangaat in tijd en eeuwigheid.

Sluit dan je ogen; werp je in Mijn armen; handel nog slechts door Mij en weet niets ter wereld, tenzij Mij te gehoorzamen en Mij in alles en voor alles te volgen."

Zalige Nicolas Barré, Brief aan een kloosterzuster


Zaterdag 9 maart 2024

"God, ik dank U dat ik niet zo ben als de rest van de mensen."

"Nederigheid is de moeder van alle deugden", zeggen ons alle meesters. Maar er is ware en valse nederigheid: de ware, die van de tollenaar, staat open voor Gods genade, omdat zij voor niets op zichzelf rekent; de valse, die van de farizeeër, kijkt naar zichzelf en bewondert zichzelf, en sluit zich aldus definitief op in zichzelf, hermetisch gesloten voor de genade van God. Nog een reden voor een klein gewetensonderzoek! Laat ons beginnen met het portret van de farizeeër:

Alleen God heeft eigenlijk het recht ik te zeggen en alles tot zich terug te brengen, de regel te zijn, de maat, het centrum van alles, want alleen God is, en het overige is alleen door Zijn wil, is alleen voor Hem, heeft alleen de prijs die Hij het geeft.

Eens dat fundament gelegd, is het gemakkelijk heel de onrechtvaardigheid aan te voelen van het menselijke ik. Die onrechtvaardigheid bestaat erin dat de mens zichzelf in aanmerking neemt, zich waardeert, van zich houdt en zich waardig acht gewaardeerd en bemind te worden; zij bestaat erin dat hij zich tot het centrum maakt van alles en alles tot zich terugbrengt; en dat de liefde die hij voor zichzelf en zijn belangen heeft, het verborgen motief is van zijn denken, spreken en heel zijn gedrag. Hij heeft in alles zichzelf op het oog, hij zoekt zichzelf in alles; het lijkt dat heel het universum, dat alle mensen, dat God zelf, er slechts voor hem zijn; hij waardeert de anderen slechts en bemint hen slechts in verhouding tot de waardering en de vriendschap die zij hem geven: als hij voorkomend is, hen van dienst is, is het gewoonlijk om het eigenbelang dat hij op het oog heeft en zo niet, omwille van de ijdele glorie.

Verloochen het menselijke ik en alle misdaden verdwijnen op aarde, alle mensen leven als broeders met elkaar, delen zonder hebzucht de goederen van hier beneden, helpen elkaar bij hun kwalen, en ieder van hen ziet in de andere een ander ik.

Jean-Nicolas Grou, Manuel des âmes intérieures

En laten we verdergaan met het portret van de tollenaar:

Nederigheid is niets anders dan waarheid. Er zijn slechts twee waarheden in de wereld, die van het al van God en van het niets van het schepsel. Wie iets in zichzelf waardeert, is niet echt nederig; wie iets voor zichzelf wil, evenmin. Echt nederig is wie zichzelf zozeer vergeet dat hij nooit aan zichzelf denkt, niet op zichzelf terugplooit, dat hij over zichzelf spreekt alsof hij het over iemand anders heeft, en het heel goed vindt dat men hem niet nederig vindt.

Wie zijn eigenbelang helemaal niet zoekt, maar alleen Gods belang voor tijd en eeuwigheid, is nederig. Meten wij de nederigheid dus niet af op het gemaakte uiterlijk; laten we ze evenmin afhangen van een of andere daad, maar van de pure naastenliefde: pure naastenliefde ontdoet de mens van zichzelf; zij bekleedt hem met Jezus Christus: daarin bestaat ware nederigheid, die maakt dat wij zelf niet meer leven maar Jezus Christus in ons.

François de La Mothe-Fénelon, De l’humilité (Over nederigheid)


Zondag 10 maart 2024

"God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen."

Is God onverschillig voor onze fouten? Is God geen rechter? Maar ja, God is een rechter! En het is heel en al rechtvaardigheid dat de erfzonde ons tot ter dood veroordeelden gemaakt heeft. Maar onze rechter is tegelijk onze Vader en voorspreker en "wat volstond voor Zijn rechtvaardigheid volstond niet voor Zijn liefde", zei de heilige Franciscus van Sales ons (zie 25 februari). Heel de heilsgeschiedenis is die van deze Vader die op zoek is naar Zijn kinderen:

Adam, waar ben je? Ik ben je komen zoeken en om je te kunnen vinden, heb Ik de handen uitgestrekt op het kruis. Ik ben niet gekomen om een oordeel te vellen over je zonde, maar om je te verlossen door Mijn liefde, Ik ben niet gekomen om je te vervloeken wegens je ongehoorzaamheid maar om je te zegenen door Mijn gehoorzaamheid. Ik zal je leven zoeken, dat verborgen is in de duisternis en de schaduw van de dood, Ik zal geen rust vinden tot Ik je, vernederd en nedergedaald ter helle om je daar te zoeken, teruggebracht heb naar de hemel.

Heilige Germanus van Constantinopel, Sermoen voor Stille Zaterdag

Laat ons niet doen zoals schuldigen die excuses zoeken. God verontschuldigt niets, maar vergeeft alles; Hij vraagt ons niet onze zonden vrij te kopen, maar ons over te geven aan Zijn barmhartigheid:

Het is door Gods genade dat wij vrijgekocht zijn, niet door werken waarop wij ons zouden kunnen beroemen (Ef 2,8-9). Hij heeft ons niet verlost omdat wij een goed leven zouden geleid hebben dat Hij zou moeten bewonderen en waarderen, zodat Hij nadien tot zichzelf zou zeggen: "Laten we deze mensen te hulp komen, want zij leven zoals het hoort!" Ons zondig leven mishaagde Hem en al wat wij deden, mishaagde Hem, maar wat Hij zelf in ons deed, heeft Hem niet mishaagd; daarom heeft Hij veroordeeld wat wij gedaan hebben en verlost wat Hij zelf deed. Hij heeft de slechte daden van de mensen veroordeeld, en de mensen daarbij verlost, hen die zichzelf niet gemaakt hebben, maar van wie de daden verkeerd waren.

Heilige Augustinus (354-430), Sermoen 23A

Maar, zult u zeggen, waartoe dienen dan onze goede werken? Waartoe? Om de genade te bekomen van een groter vertrouwen en grotere hoop in God alleen: zo alleen maakten de heiligen gebruik van hun grote werken. Zij zijn, zo zeiden zij, door onze perversiteit zo bedorven dat, indien God ons daarop zou oordelen, wij eerder straffen zouden verdienen dan beloningen.

Spreek mij dus niet meer over goede werken om bij de dood iets te hebben waarop je kan steunen, spreek mij alleen over de barmhartigheid van God, de verdiensten van Jezus Christus, de voorspraak van de heiligen, de gebeden van goede zielen, maar zelfs niet over het geringste dat de indruk kan wekken dat je op jezelf steunt, op je werken, en dat je daarop vertrouwt.

Het grote kwaad is dat onze eigenliefde zich overal verbergt, zich met alles mengt en alles bederft.

Jean-Pierre de Caussade, Brief 93