De onuitsprekelijke zoetheid van het gelukzalige leven, het lezen zoekt het, de meditatie vindt het, het gebed vraagt het, de contemplatie smaakt het.


Guigo de Kartuizer, De ladder van het Paradijs.

Korte inleiding in teksten van Ruusbroec de Wonderbare

Ruusbroec over de werking van de genade Gods

Mystiekers, ervaringsdeskundigen aan het woord

Een verborgen schat, opgediept door Jan van Ruusbroec


Juweeltje 1, uit de Geestelijke Bruiloft


De genade vloeit van binnen uit, niet van buitenaf.

Dese gracie vloeyt van binnen, niet van buyten.


Nu met wat meer context:

Nu is de genade, die uit God vloeit, een inwendig drijven of jagen van de Heilige Geest, die onze geest van binnen stuwt en opjaagt tot alle deugden. De genade vloeit van binnen uit, niet van buitenaf. Want God is ons meer inwendig dan wij het onszelf zijn, en zijn inwendig drijven en werken in ons, natuurlijk of bovennatuurlijk, is ons meer nabij en inniger aanwezig dan onze eigen werkzaamheid; en daarom werkt God in ons van binnen uitwaarts, en de schepselen daarentegen van buiten inwaarts. En hierdoor komt de genade en elke goddelijke gave en inspraak van God van binnen, in de eenheid van onze geest, niet van buiten in de verbeelding langs zinnelijke voorstellingen.

Die gheestelike Brulocht, hertaling door Dr. Lod. Moereels, Deel 5, pag. 153 - 155

In het Middelnederlands:

Nu es die gracie Gods, die ute Gode vloeyt, een inwindich driven ochte jaghen des Heylichs Gheests die onzen gheest drivet van binnen ende stoect in allen duechden. Dese gracie vloeyt van binnen, niet van buyten. Want God es ons inwindigher dan wij ons selven sijn, ende sijn inwindich driven ochte werken in ons, natuerlijcke ochte overnatuerlijcke, es ons naerre ende innigher dan ons eygen wercken ; ende daer-omme werket God in ons van binnen uutweert, ende alle creatueren van buten inwert. Ende hier-omme comt gracie ende alle godlijcke gaven ende Gods inspreken, van binnen, in eenicheit ons ghests, niet van buyten inder fantasien, met senlijcken beelden.

Ruusbroec werken, Deel I, pag. 148, v.7 - v.18


Buitenkant en binnenkant, zijn termen die wij wel kennen en gebruiken als we over gebouwen, huizen, kamers of welke objecten dan ook spreken. De binnenruimtes bijvoorbeeld situeren zich aan de binnekant. Deze elementen kunnen in feite zowel materiële als enigszins immateriële elementen bevatten. Ruimtes zijn bijvoorbeeld eerder immaterieel, en komen enkel tot stand dank zij de materiële obstakels die deze ruimtes creëren.

Als we over de mens spreken, kunnen we het eveneens hebben over de buiten- en de binnenkant. Als we over de binnenkant van de mens spreken, dan spreken we meestal over materiële elementen, organen, spieren, beenderen enz., allemaal materiële dingen die zich in ons lichaam bevinden. Als er op dat niveau iets niet helemaal werkt zoals het moet, hebben we de hulp van docters, verplegers en andere terapeuten om ons uit de nood te helpen.

Maar zonder we er veelal bij stilstaan, vinden we in de binnenkant van de mens eveneens eerder immateriële elementen. Emoties, indrukken, bedenkingen, frustraties maar ook vreugdevolle gevoelens. Deze aspecten van onze menselijke binnekant zijn niet onmiddellijk materieel te situeren, en toch situeren we die binnen de mens. We kunnen er wel over spreken in zoverre we er de juiste woorden voor vinden, maar met heel wat van onze emoties of indrukken hebben we het eerder moeilijk om die onder woorden te brengen. Om op dat vlak niet vast te lopen roepen we wel eens de hulp in van psychologen of psychiaters. Zij hebben heel wat inzichten en mogelijkheden om ons te helpen bij het ontwarren van een aantal knopen op dat niveau.

Maar aan de binnekant van ons menselijk bestaan ontwaren we eveneens op nog een ander niveau aspecten die nog minder materieel te situeren zijn. De grote christelijke spirituele meesters gaan onze relatie met God situeren in deze binnenkant. Langs de buitenkant staan we in contact met de wereld die ons omringt, maar in de diepste kern van ons menselijk bestaan, staan we in reatie met God, en is Hij in ons werkzaam. Hij bezielt ons van binnen uit. Vandaar dat Ruusbroec ons zegt dat de genade die uit God vloeit ons van binnen stuwt en opjaagt om deugdelijk te zijn en deugden te beoefenen. En dus vloeit de genade van God door ons heen van binnen naar buiten, daar waar alles wat door God geschapen is in deze wereld van buitenuit op ons inwerkt. Deze geschapen dingen zijn eveneens geschenken van God, waarmee Hij ons zijn liefde wil tonen en ons alles wil geven dat we nodig zouden kunnen hebben om gelukkig te zijn. Toch vinden we dat geluk niet, zelfs niet in de geschapen dingen wanneer we dat geluk buiten God om zoeken.

De geneesheer op dat vlak is God zelf. Enkel Hij kan ons op dat diepere niveau uit de nood helpen. Meestal gaat God deze hulp via mensen verschaffen die Hij geroepen heeft om andere mensen de weg naar God te wijzen. Deze mensen gaan een brugfunctie vervullen in het voetspoor van Jezus, die deze taak heeft volbracht. Sinsdien heeft Hij door het doopsel en de andere sacramenten een priesterlijk volk bereid dat die verzoening tussen God en mensen verder behartigen. Elk met gaven en talenten toegerust om dat belangrijke werk te verwezenlijken dat God van voor alle tijden in ons heeft willen tot stand brengen.

Die binnenkant is dus de plaats waar de relatie die God met ons tot volle wasdom wil brengen zich kan ontplooien.

Sint-Augustinus heeft eveneens ontdekt dat God in het diepste van ons menselijk bestaan aanwezig en werkzaam is. Maar als we Hem aan de buitenkant zoeken, dan vinden we Hem niet. Hij schreef daarover in zijn beroemde "Belijdenissen" (boek X, XXVII,38): "Laat heb ik jou liefgehad, o schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik jou liefgehad. Je was binnen en ik was buiten; en daar zocht ik je, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door jou gemaakt zijn."

"Je was bij mij, maar ik niet bij jou. Ik werd ver van je gehouden door dingen die niet hadden bestaan als ze niet in jou hadden bestaan."

Bij de ontdekking van Gods nabijheid beklaagt de heilige Augustinus zich erom dat hij bij die zoektocht zoveel energie en tijd verloren heeft. "Jij was binnen en ik was buiten, en daar zocht ik je... Je was bij mij, maar ik niet bij jou."

Hoe waar is dat niet voor elke mens. Hoeveel meer kans bestaat er niet voor ons, om (met alle mogelijkheden en middelen die wij ter onzer beschikking hebben) met alle schone dingen die God gemaakt heeft, onszelf te verliezen en voorbij te rennen aan onszelf, en daardoor ook aan Hem die dit alles heeft gemaakt.

Jammergenoeg kijken wij in onze materialistische, op snelle emoties gerichte wereld nog altijd voornamelijk naar de buitenkant van ons bestaan. Weinige mensen ontdekken dat er die binnenkant bestaat waar God ons raakt, in leven houdt. En nog minder beseffen dat geduldig maar met aandringen aan de deur van ons hart (aan de binnenkant) en bij ons zijn intrek wil nemen. In de Openbaring van Johannes zegt de Heer tot ons: "Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij" (Apoc. 3, 20). Het is niet aan de buitendeur van ons huis dat Hij staat te kloppen, maar in het diepste van ons menselijk bestaan. Daar moeten we leren luisteren naar wat Hij van ons wil. En dat vraagt tijd, stille aandacht, openheid en ontvankelijkheid van onzentwege.

Wie leert ons dat nog aan ?

Vorige Inhoud Volgende


Ende hier-ave comt ongheduer van minnen. Want dat uutvloyende gherinen Gods stoect ongheduer, ende eyscht ons werc, dat es : dat wij minnen die ewighe Minne. _-oOo-_ En hiervan komt het onstuimig ongeduld van minne. Het uitvloeiende aanroeren Gods verwekt ongedurigheid en vordert van ons werkzaamheid, nl. dat wij de eeuwige Minne beminnen.

Jan van Ruusbroec, VANDEN BLINCKENDEN STEEN, p.32, v13-16.

Onze website maakt geen gebruik van cookies, wij willen geen inbreuk doen op uw privacy.