De onuitsprekelijke zoetheid van het gelukzalige leven, het lezen zoekt het, de meditatie vindt het, het gebed vraagt het, de contemplatie smaakt het.


Guigo de Kartuizer, De ladder van het Paradijs.

Korte inleiding in teksten van Ruusbroec de Wonderbare

Kernwoorden bij Ruusbroec de Wonderbare: grondeloos

Mystiekers, ervaringsdeskundigen aan het woord

Even proeven van de Spirituele rijkdom van weleer


Kennismaking 12

Het woordje grondeloos zijn we ook al eens tegengekomen. Het is een belangrijk woord, dat Ruusbroec veel gebruikt. Zeker meer dan 120 keer in zijn geschriften. In het Evangelie gaat Jezus het beeld van de rots gebruiken waarop men zijn huis moet funderen. Dat is het wat er gebeurt als we luisteren naar zijn Woord, en er naar leven. Ruusbroec zal datzelfde beeld van een fundering gebruiken, maar dan niet op een rots, maar op een grondeloze afgrond. Dat lijkt ons op het eerste alles behalve redelijk. In de "Blinkende Steen" zegt hij: "Het fundament van zijn wezen moet de mens als grondeloos ervaren." God is zo onvoorstelbaar groot en zijn liefde zonder grenzen, dat als we dat wat dieper in overweging nemen, we de indruk krijgen dat de grond onder onze voeten wegzinkt. Een grondeloze afgrond is echter geen gewone afgrond. In een gewone afgrond vallen we te pletter als we ons leven daarin zouden willen funderen, maar een grondeloze afgrond heeft geen bodem waarop we te pletter kunnen vallen.

De liefde van God is bodemloos, en het is die liefde waarover Ruusbroec ons spreekt. Als men zijn leven fundeert op die grondeloze afgrond, dan moeten we alles waar we in ons leven aan gehecht zijn, los laten. Het is enkel met een groot geloof en vertrouwen dat men zich zo kan toevertrouwen aan die grondeloze liefde van God, want als we ons toch nog aan een of ander halmpje of takje langsheen die afgrond willen vastklampen om toch enige andere zekerheid te hebben, dan vertrouwen we ons niet echt toe aan Gods liefde en voorzienigheid. Want wanneer God ons omvormt, zegt Ruusbroec, dan "voelen wij ons verzwolgen in de grondeloze afgrond onzer eeuwige zaligheid."

Vorige Inhoud Volgende


Ende hier-ave comt ongheduer van minnen. Want dat uutvloyende gherinen Gods stoect ongheduer, ende eyscht ons werc, dat es : dat wij minnen die ewighe Minne. _-oOo-_ En hiervan komt het onstuimig ongeduld van minne. Het uitvloeiende aanroeren Gods verwekt ongedurigheid en vordert van ons werkzaamheid, nl. dat wij de eeuwige Minne beminnen.

Jan van Ruusbroec, VANDEN BLINCKENDEN STEEN, p.32, v13-16.

Hartelijk dank voor het bezoek aan onze webstek !

Wie het apostolaat van de vereniging op prijs stelt en wil steunen,
kan dit via een storting op haar bankrekening: BE63 0018 9649 6308

Onze website maakt geen gebruik van cookies, wij willen geen inbreuk doen op uw privacy.