De onuitsprekelijke zoetheid van het gelukzalige leven, het lezen zoekt het, de meditatie vindt het, het gebed vraagt het, de contemplatie smaakt het.


Guigo de Kartuizer, De ladder van het Paradijs.

Jan van Ruusbroec (1293-1381): "De Blinkende Steen" of "Over Gods genadegaven"

Ruusbroec: "De Blinkende Steen: Huurlingen, dienaren of vrienden?"

Negenentwintigste editie

Mystieke lectuur voor Radio Maria België

Je kan de uitzending via deze webpagina van Radio Maria herbeluisteren.
Je zal een keuze moeten maken voor een van de uitzendingen,
en na een korte omschrijving vind je onderaan op die pagina
de mogelijkheid om de podcast te herbeluisteren.


Jan van Ruusbroec (1293-1381): "De Blinkende Steen" V

Programma "Mystieke Lectuur" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Verder kan opgemerkt worden dat sommige mensen de gaven van God ontvangen als gehuurde knechten Gods en andere als getrouwe dienaren. svgµ

Welkom beste luisteraar op het programma "Mystieke Lectuur". De voorbije edities hebben we de Zalige Jan van Ruusbroec, stevig ter hand genomen met het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen". We zullen nog veel dingen ontmoeten tijdens onze ontdekkingstocht onder zijn leiding.

Ook deze keer lezen we een paar stukjes in het Middel-Nederlands voor om ons wat meer vertrouwd te maken met deze taal, en te kunnen genieten van het mooie literaire oeuvre van deze wonderbare en getalenteerde schrijver.

Nog steeds biedt het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen" ons een sleutel aan om binnen te treden in de wereld van de Christelijke contemplatie. Ook nu nog hebben wij het moeilijk om op dat vlak door de bomen het bos te zien. De inwendige wereld die de onze is, is ons nochtans zeer onbekend. Om erin thuis te komen hebben we aan Ruusbroec een goede gids. Jawel, veel verwarring heerst er deze dagen bij de zin-zoekende mens, en velen stellen zich voor als gids om op al die prangende vragen een antwoord te geven. Allen zijn ze jammer genoeg niet altijd aanbevelenswaardig. Aan de zuivere intentie van Ruusbroec kunnen we niet twijfelen. Hij kan ook nu nog de in de war gebrachte zin-zoekers helpen met zijn werk. Zijn woordenschat is zoals we reeds hebben gezegd zeer origineel, zijn denken zeer persoonlijk en zijn spirituele scherpzinnigheid uitzonderlijk. Zijn bijnaam, de wonderbare heeft hij dan ook niet voor niets gekregen.

Uitgedaagd om zich beter verstaanbaar te maken voor de mensen die hem vragen stelden, bewijst hij ons een immense dienst. Ons werk zal er dan ook in bestaan om de uitleg die Ruusbroec zelf levert enkel zo goed mogelijk weer te geven, en waar nodig wat te versterken en eventueel wat verder te duiden. Toch zal deze literatuur voor velen jammer genoeg ontoegankelijk blijven. En Jan van Ruusbroec is zich daar terdege van bewust.

Bij wijze van opwarming laten we reeds een stukje in het Middelnederlands horen dat we de vorige edities reeds een paar keer hebben gehoord.

Ende aldus mochdi merken dat die intreckende eenicheit Gods anders niet en es dan grondelose (v. 20) Minne die den Vader ende den Sone, ende al dat leeft in Hem, met minnen intreckende es in een eewich ghebruken. Ende in deser minnen wille wij berren ende verberen zonder inde in eewicheit ; want hier-inne es gheleghen alre gheeste salicheit. Ende hier-omme soe moeten wij al onse leven fondeeren (v. 25) op een grondeloes abis, soe moghe wij eewelijc in minnen sincken ende ontsincken ons-selven in die grondelose diepheit. Ender metter selver minnen sele wij hoghen ende onthoghen ons-selven in die ombegripelijcke hoocheit ; ende in die minne sonder wise sele wij dolen: ende si sal ons verleiden (v. 30) in die onghemetene wijtheit der minnen Gods. Ende daer inne sele wij vlieten ende ons-selven ontvlieten in die ombekinde welde der rijcheit ende der goetheit Gods. Ende daer inne selen wij smelten ende versmelten, wielen ende verwielen eewelijc in die glorie Gods.

Laten we nogmaals stilstaan bij de opmerking aan het einde van het eerste deel, waarin Ruusbroec het heeft gehad over de zondige mens, die door de algemene inwerking van Gods genade, wijsheid en kracht ontvangt om de zonde te vermijden en zich tot de deugd te bekeren. Maar de wil van de mens is daar wel voor nodig. God wil ons niet forceren zodat we wel uit vrijheid zouden handelen, en niet als marionettes of robots.

En zo gaat Ruusbroec verder met een heel positieve noot:

En door het verborgen medewerken van Gods genade kan elk goed mens alle zonden overwinnen en aan alle bekoringen weerstaan en alle deugden beoefenen en tot in de hoogste volmaaktheid volharden, indien hij in alles de genade van God involgt.

Ruusbroec spreekt hier over het volharden in de hoogste volmaaktheid, wat de bedoeling is van "De Blinkende Steen". Het volharden in de hoogste volmaaktheid is dus wel degelijk bereikbaar voor iedereen, zelfs als niet iedereen geroepen is om het even bewust te beleven. De heilige Onschuldige Kinderen zijn - zoals we reeds gezegd hebben - niet minder heilig dan de heilige Johannes van het Kruis, zelfs als het in hun slaap is dat ze werden geheiligd.

Alles nu wat wij zijn en alles wat wij in- en uitwendig ontvangen hebben, het zijn allemaal vrije gaven van God, waarvoor wij Hem danken en waarmede wij Hem dienen moeten, willen wij Hem behagen. Er zijn echter vele gaven Gods, die voor de goeden een hulp en gelegenheid tot deugd, voor de kwaden integendeel een hulp en gelegenheid tot zonde zijn, zoals gezondheid, schoonheid, wijsheid, rijkdom en wereldse eer. Dit zijn de laagste gaven van God en de geringste in waarde, die God over 't algemeen schenkt tot nut zowel van zijn vrienden als van zijn vijanden, van goeden en van kwaden. En hiermede dienen de goede mensen God en zijn vrienden, de kwaden hun eigen vlees, de duivel en de wereld.

We luisteren nogmaals naar dat paragraafje, maar dan in het Middelnederlands

Want al dat wij sijn ende al dat wij hebben ontvaen van buten ende van binnen dat sijn alle (Deel.III blz.14 v.1) die vrië gaven Gods daer wij Hem ave dancken selen, ende daer wij Hem mede dienen moeten, selen wij Hem behagen. Maer het sijn vele gaven Gods die den goeden sijn hulpe ende ocsuin ten doechden, ende den quaden sijn hulpe ende (v.5) ocsuin ten sonden, alse ghesonde, scoenheit ende wijsheit, rijcdom ende eere der werelt. Dit sijn die nederste ende onwertste gaven Gods, die God ghemeenlijc gheeft om orbore sinen vrienden ende sinen vianden, den quaden ende den goeden. Ende hier-mede dienen die goede menschen Gode (v.10) ende sinen vrienden, ende die quade haren vleesche ende den duvel ende der werelt.

Dit sijn die nederste ende onwertste gaven Gods, die God ghemeenlijc gheeft om orbore sinen vrienden ende sinen vianden, den quaden ende den goeden. svgµ

Nu verandert Ruusbroec zijn geweer van schouder, en geeft ons een aantal beelden waarin we kunnen zien hoe onze relatie met God kan zijn, en wat ze eigenlijk best zou moeten zijn. Hij vergelijkt onmiddellijk twee rolpatronen of manieren om met de ander om te gaan. Daardoor kunnen we goed begrijpen wat hij wil dat we terdege inzien.

In een eerste puntje vergelijkt hij huurlingen met getrouwe dienaren. Laten we luisteren naar deze eerste uiteenzetting.

Verder kan opgemerkt worden dat sommige mensen de gaven van God ontvangen als gehuurde knechten Gods en andere als getrouwe dienaren. Deze verschillen onderling en zijn elkaar tegengesteld in gans hun inwendige werkzaamheid, zoals die zich uit in minnen en bedoelen, in gevoelen en in heel hun verder beoefenen van het innerlijk leven.
Let er wel op : al de mensen, die zichzelf zo ongeregeld liefhebben, dat zij God niet anders willen dienen dan om eigen gewin en eigen profijt, die houden zich op afstand van God en blijven onvrij, belemmerd door eigenliefde. Want zij zoeken en beogen zichzelf in al hun doen en laten. Bijgevolg streven zij met al hun gebeden en goede werken slechts tijdelijke dingen na, of als zij eeuwige nastreven is het om eigenbaat en voordeel.
Deze mensen zijn ongeregeld gehecht aan zichzelf, en daarom blijven zij altijd met zichzelf alleen: want hun ontbreekt de gerechte minne, die hen verenigen zou met God en met al zijn geliefden. En al schijnen deze mensen de wet van God en van de heilige Kerk te onderhouden : zij onderhouden niet de wet der liefde! Want al wat zij doen, doen zij uit dwang en niet uit liefde, ten einde niet verdoemd te worden. En omdat zij zelf in hun binnenste ongetrouw zijn, wagen zij het niet op God te vertrouwen; integendeel hun innerlijk leven is: twijfel en angst, last en ellende. Zij zien immers ter rechterzijde het eeuwig leven, en dat vrezen zij te verliezen; en zij zien ter linkerzijde de eeuwige hel, en die vrezen zij te krijgen. Al dat bidden en al dat gezwoeg en al die goede werken, die zij verrichten om deze angst te verdrijven, het baat niet! Want hoe meer zij zichzelf ongeregeld beminnen, hoe meer schrik zij ook hebben voor de hel. En hieruit kunt gij besluiten, dat de vrees voor de hel voortkomt uit de eigenliefde, die zij voor zichzelf koesteren.

Ruusbroec zegt ons hier dat de mensen die het meest beducht zijn voor de hel, het meest risiko lopen erin te belanden omdat ze uit angst voor eigenbehoud leven. Het is schrijnend dat ze hierbij met al de moeite van "dat bidden en al dat gezwoeg en al die goede werken" zichzelf niet kunnen redden!

In het Lucasevangelie (Lc 9, 23-24) horen we Jezus eigenlijk met andere woorden hetzelfde zeggen tot zijn leerlingen: "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden."

Ruusbroec helpt ons eveneens om helderder te zien wat de ware natuur is van de hel. Het is in eerste instantie wellicht niet een plaats van ondeugd, maar van eigenliefde of egoïsme. Wat maakt dat men zich daar op zichzelf wil terugplooien en isoleren van God en van iedereen. Althans voor de interpersoonlijke relaties. Men kijkt naar de ander als een object voor eigen lusten en voordeel...

In "de tijd van de verrijzenis" zegt ons Sint Bernardus in zijn derde preek dat: "Er geen egoïsme meer zal zijn, en er (evenmin) geen hel meer zal zijn."

Maar we zullen nu evenwel horen van Ruusbroec, dat er toch sprake is van de vreze Gods in de Bijbel. Is dat dan niet die angst waarvan sprake bij de huurlingen? Hoe moeten we dat dan wel begrijpen? Laten we luisteren:

Wel spreekt de Profeet en ook het boek der Wijsheid: "het begin der wijsheid is de vreze Gods" (Ps. 111, 11; Spreuken 1, 7; 9, 10). Maar dit geldt van de vrees, die beoefend wordt ter rechterzijde, waardoor men vreest de eeuwige zaligheid te verliezen. Deze vrees toch spruit voort uit de natuurlijke neiging, die elke mens in zich draagt om zalig te zijn, dit is : God te aanschouwen. En bijgevolg, al is die mens ontrouw aan God, toch zal hij, wanneer hij zichzelf in zijn binnenste gadeslaat, de neiging gewaar worden, die gaat van-uit hemzelf naar de zaligheid, die God is. En deze zaligheid vreest hij te verliezen, omdat hij zichzelf meer bemint dan God. Hij bemint de zaligheid als het ware in de verkeerde richting, om zichzelf; en daarom durft hij het niet aan, God te vertrouwen. Toch staat er geschreven, dat de vreze des Heren het begin der wijsheid is en een wet voor de ongetrouwe knechten Gods : omdat zij de mensen dwingt de zonde te vermijden en de deugd te begeren en goede werken te doen; en dit alles bereidt de mens van buitenaf voor om de genade Gods te ontvangen en om een getrouwe dienaar te worden.
Op hetzelfde ogenblik, waarop hij met Gods hulp zijn eigenliefde vermag te overwinnen, d.i. zo ledig te zijn van zichzelf, dat hij op God durft te vertrouwen voor al wat hij nodig heeft, - op diezelfde stond behaagt hij God zozeer, dat Hij hem zijn genade schenkt; en met de hulp dezer genade gevoelt hij gerechte minne, en de liefde verdrijft twijfel en angst en doet hem vertrouwen en hopen. En zo wordt hij een getrouwe dienaar, die in al zijn werken God beoogt en bemint.
Dat is het onderscheid tussen de getrouwe dienaars en de ongetrouwe.

Wat we van Ruusbroec horen is dat de ware vreze des Heren het ontzag is voor God die niet angstaanjagend is, maar ontzagwekkend door zijn zuiverheid en heiligheid. Hij is de gans andere, die zuivere liefde is. Ik ben die is, of ik ben er voor u. Naar Zijn Beeld en gelijkenis geschapen zijn we geroepen om op hem te gelijken, en zijn beeld hier op aarde geen geweld aan te doen. Eigenliefde is liefde averechts, of beter liefde op zijn kop. Dat doet helemaal geen recht aan God. Het breekt dat zelfs af. We verliezen er eigenlijk onze vrede mee, en raken in tal van knopen vast te zitten...

Als we dan de genade hebben om in te zien dat we in de nesten zitten, dan kunnen we ons bekeren, en terugkeren naar het zoeken en betrachten van Gods wil te doen. Daarvoor hebben we echter Gods hulp nodig. Wij kunnen onszelf niet redden, we hebben een redder nodig. Jezus is hiertoe tot ons gekomen. We moeten durven loslaten om ons door de Heer te laten redden, want: "wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden."

Vervolgens geeft Ruusbroec ons een nieuwe vergelijking. Namelijk tussen de trouwe dienaren waarvan daarnet reeds sprake, en de vertrouwde vrienden.

Laten we luisteren naar zijn uitleg:

Vervolgens valt er een groot onderscheid op te merken tussen de trouwe dienaren en de vertrouwde vrienden van God.
Met de hulp van de genade Gods zijn de trouwe dienaren vast besloten de geboden Gods te onderhouden, dat is : gehoorzaam te zijn aan God en aan de heilige Kerk in allerlei deugden en goede zeden : en dit heet een uitwendig of een werkend leven.
De vertrouwde vrienden Gods echter verkiezen mét de geboden ook de levenbrengende raad van God te onderhouden; (Hier zijn niet bedoeld : de evangelische raden; maar Gods uitnodiging tot het inwendig leven.) dit is een zich liefderijk inwendig hechten aan God tot zijn eeuwige eer, met het bereidwillig verzaken van alles wat men buiten God met lust en liefde zou kunnen bezitten. Zulke vrienden roept en noodt God inwaarts en geeft hun inzicht in het inwendige met zijn veelzijdige en verborgen beoefening van het geestelijk leven.

Dit "zich liefderijk inwendig hechten aan God" zoals Ruusbroec het ons leert, "tot zijn eeuwige eer" tot de eeuwige eer van God, "met het bereidwillig verzaken van alles wat men buiten God met lust en liefde zou kunnen bezitten" laat ons begrijpen waar het geestelijk leven precies begint. Als inderdaad het leven van de trouwe dienaars van buiten uit geregeld wordt doorheen de geboden van God, dan is het leven van de vertrouwde vrienden geregeld door het begrijpen van het welbehagen Gods, wat enkel mogelijk is binnen een liefderelatie. Dat is het verschil tussen dingen doen uit plicht, of ze te doen uit liefde, tussen de algemene roeping en deze waar Jezus de rijke jongeling toe uitnodigt, en die een zekere perfectie inhoudt (Mt. 19, 16-22).

We lezen nogmaals een stukje in het Middelnederlands. De eerste helft hebben we reeds gelezen in het hedendaags Nederlands, maar de laatste paar zinnen zullen we straks opnieuw horen, maar dan niet in het Middelnederlands

Maer die heimelijcke vriende Gods si verkiesen, met den gheboden, te houdene die levende rade Gods, dat es een minlijc inwindich ane-cleven ane Gode te sijnre eewigher eeren, met eenen willighen vertyene alle dies datmen buyten Gode met loste (Deel.III, pag.16, v.25) ende met liefden besitten mochte. Alsulcke vriende roept ende noedt God inweert, ende leert hem onderscheet in inwindigher oefeninghen, ende menighe verborghen wise gheestelijcs levens. Maer sine knechte sendt Hi uutwert opdat si Hem ghetrouwe sijn, ende sire familiën, in allen dienste (v.30) ende in allen manieren van uutwendighen goeden werken. Siet aldus gheeft God sine ghenade ende sine hulpe na yeghelijcs menschen hebleecheit, dat es na alre wijs dat die mensche met Gode eendrachtich es, in uutwindighen goeden werken ochte in inwindigher goeder oefeninghen van minnen.

Laten we nog even voortdenken over dit "zich liefderijk inwendig hechten aan God tot zijn eeuwige eer".

Men begrijpt dat er geen merkbare contemplatieve ontwikkeling kan bestaan tenzij binnen deze tweede roeping, want Christus volgen en niet slechts zijn weg volgen, veronderstelt dat we de persoon niet uit het oog mogen verliezen. Dit verondertelt dus het zich "liefderijk inwendig hechten aan God tot zijn eeuwige eer." En waar niemand vrijgesteld wordt om een trouwe dienaar van God te zijn, veronderstelt het worden van een vertrouwde vriend een vrij en vrijwillig aanvaarden, zoals het voorbeeld van de rijke jongeling ons laat zien: "Als je wil...", zegt Jezus tot hem. Een beetje verder preciseert Ruusbroec: "want hij heeft (de rijke jongeling) een op het uitwendige afgestemde levenswijze verkozen." Zijn weigering is geenszins het gevolg van een straf, hij zal niet worden onthouden van het eeuwige leven (Jezus heeft ons in tegendeel net gezegd dat om het eeuwige leven te bekomen het volstaat de geboden na te leven), maar hij zal de vreugde van de goddelijke intimiteit moeten missen.

Mag men dan wel zeggen dat gehoorzamen aan zulk een roeping facultatief is? ... Ja indien het hier enkel te doen is om het contract tussen schepper en schepsel te respecteren, maar ... NEEN, indien men beseft dat de roeping van elke mens erin bestaat een liefdesrelatie met God te beleven! De keuze om een trouwe dienaar te blijven daar waar men kan leven als een vertrouwde vriend, is zeer theoretisch. Zoals de rijke jongeling bedroefd heengaat, zo vervult het leven van hen die weigeren als een vertrouwde vriend te zijn zich met bitterheid. "Uitgekeerde mensen oordelen en beknibbelen vaak de ingekeerde" zoals Ruusbroec het wat verderop zal opmerken als hij het voorbeeld van Martha en Maria aanhaalt. En dit omdat "Dat éne ding, voor alle mensen noodzakelijk, de goddelijke minne is." De liefde overstijgt elk onderscheid tussen dienaar en vriend, zelfs als het jammergenoeg zo is dat de meerderheid zich veeleer zal geroepen voelen om meer dienaar dan vriend te zijn. En aldus vinden we hier het klein aantal terug tot wie Ruusbroec zich richt: dezen voor wie we de term "contemplatief" veelal voorbehouden, en onder hen de "mystiekers". Nogmaals, alle roepingen zijn in feite contemplatieve roepingen. Het verschil dat we aantreffen is er een van intensiteit, en niet een (verschil) van natuur.

Negatief staat Ruusbroec evenmin tenopzichte van de trouwe dienaars. Luisteren we wat hij ons verder onderricht.

Zijn dienaren echter zendt Hij(God) uitwaarts, opdat zij Hem getrouw zouden wezen en zijn gezin, de christenheid, met dienstbetoon en alle slag van uitwendige goede werken behulpzaam zouden zijn.
Zo geeft God zijn hulp en genade naar ieders geschiktheid, dat is, naar de wijze waarop men aan God gelijkvormig is, hetzij in uitwendige goede werken of in inwendige beoefening van de liefde.

Dat éne ding, voor alle mensen noodzakelijk, is de goddelijke minne. Dat beste deel is het inwendig leven met minnelijk aanhangen aan God. svgµ

Niemand nu kan zich toeleggen op de oefeningen van het inwendig leven noch dit in zich ervaren, als hij niet geheel en al tot God is ingekeerd. Want zolang de mens in zijn hart verdeeld is, blijft hij naar buiten gekeerd en ongestadig in zijn gemoed en wordt hij ook licht bewogen door lief en leed in tijdelijke dingen; want die leven nog in hem. En al komt hij de geboden Gods na, toch blijft hij nog steeds van binnen onverlicht en ongeleerd; want hij beseft niet wat inwendig leven is noch hoe men het moet beoefenen. Als hij maar weet en voelt dat hij het goed meent met God en Gods liefste wil in al zijn werken begeert te volbrengen : dan is hij al tevreden; want hij is zich bewust oprecht te zijn in zijn dienst. En om deze twee punten schept hij behagen in zichzelf en dunkt het hem, dat uitwendige werken met zuivere mening verricht heiliger en nuttiger zijn dan inwendige gebedsoefeningen : want hij heeft met Gods hulp een op het uitwendige afgestemde levenswijze verkozen. En dit is de reden, waarom hij meer aandacht en overleg besteedt aan uitwendige werken dan aan Hem, om Wie hij met innige liefde werkt, en dat zijn geest meer bezig is met de werken, die hij doet, dan met God, om Wie hij ze doet. Wegens die verbeeldheid in zijn werken blijft hij dan ook een uitwendig mens en is hij niet in staat Gods raad op te volgen. Zijn werkzaamheid is immers meer uitwendig dan inwendig, meer zinnelijk dan geestelijk. En al is hij een getrouwe dienaar Gods in uitwendige dienst, - wat de vertrouwde vrienden Gods ervaren, dat blijft hem verborgen. Dat soort grove, uitgekeerde mensen oordelen en beknibbelen vaak de ingekeerde : hun dunkt dat die werkeloos zijn. Dat was ook de reden, waarom Martha bij ons Heer klaagde over haar zuster Maria, dat deze haar niet hielp dienen. Zij dacht dat zij zich zeer verdienstelijk maakte en dat haar zuster daar maar werkeloos voor niet bijzat. Maar onze Heer sprak over beide zijn mening en oordeel uit. Hij berispte Martha, niet om haar dienst, want die was goed en nuttig; maar Hij berispte ze om haar bekommerdheid, en omdat ze bedrukt en bedroefd was door de beslommeringen van haar uitwendig werk. En Maria prees Hij om haar inwendige bezigheid en zei, dat één ding nodig was, en dat zij het beste deel had verkozen, dat haar niet ontnomen zou worden.

Inwendig en uitwendig, dat zijn termen die Ruusbroec hier tegenover elkaar stelt. Waar gaat onze aandacht naartoe? Enkel naar de buitenkant, of ook (en vooral) naar de binnenkant? De Heilige Teresa van Avila heeft die termen in haar beschrijving van de ziel door het beeld van een kasteel met verschillende plaatsen mooi verhelderd. Men kan gerust steeds op de verdedigingsmuur van het kasteel vertoeven en enkel naar buiten kijken, zozeer trouwens dat men niet weet wie er dat kasteel in feite bewoont. Maar als men de binnenkant van dat kasteel gaat verkennen, dan ontdek je meerdere kamers. Hoe meer je de centrale kamer nadert, hoe meer je het licht van God ontwaart die in elk van ons verblijft. Maar als we die weg naar binnen inslaan, verlicht door Gods oneindige liefde, zien we ook steeds meer onze eigen onzuiverheid en onwaardigheid, en vorderen we slechts in de mate dat we ons kunnen ontdoen van alle zelfzucht en eigenliefde. We groeien in ware en zuivere liefde.

Luisteren we maar weer wat Ruusbroec ons daarover verteld:

Dat éne ding, voor alle mensen noodzakelijk, is de goddelijke minne. Dat beste deel is het inwendig leven met minnelijk aanhangen aan God. Dat had Maria Magdalena verkozen en dat verkiezen nog de vertrouwde vrienden van de Heer. Maar Martha verkoos een eenvoudig, uitwendig werkend leven. Het is het ander deel, waar men God in dient, dat niet zo volkomen noch zo goed is ; en dat deel verkiezen ook nu nog de trouwe dienaren om de liefde van de Heer (vgl. Lc 1o, 38-42).

Laten we die laatste zinnen nog eens herlezen in het Middelnederlands:

Dat een dinc dies noot es alle menschen, dat es godlijcke minne. Dat beste deel dat es een inwindich leven met minlijcken aenclevene ane (Deel.III, pag.18, v.10) Gode. Dat hadde Maria Maegdelena vercoren, ende dat verkiesen noch die heimelijcke vriende Ons Heeren. Maer Martha die vercoes een ongheveynst uutwendich werkende leven ; ende dat es dat ander deel daer men Gode inne dient, dat soe volcomen noch soe goet niet en es. Ende dit deel verkiesen (v.15) noch die ghetrouwe knechte omme die minne Ons Heeren.

En nadat Ruusbroec ons dit alles uit de doeken heeft gedaan, wil hij ons toch ook waarschuwen voor valse innerlijkheid. Als we ons enkel terugtrekken in de binnenkamers van onze ziel zoals de heilige Teresa van Avila ons zegt, om ons af te zonderen en op te sluiten in onszelf, niet om ons te zuiveren en dichter bij God te komen, dan zijn we niet beter af dan dezen die op de slotmuur blijven. De inkeer is geen louter afkeren op zich, maar veeleer een toekeren tot God.

Luisteren we maar hoe hij ons waarschuwt voor die valse ledigheid.

Nu vindt men echter van die dwaze mensen, die zo innig en zo ledig beweren te zijn, dat zij niet willen werken noch hun evenmens in zijn nood bijstaan. Zulke mensen zijn noch vertrouwelingen noch getrouwe dienaren van ons Heer, maar zij zijn totaal mis en bedrogen. Want niemand kan Gods raad involgen als hij niet eerst Gods gebod wil onderhouden. Daarom dan ook zijn de vertrouwde vrienden van ons Heer, waar het er op aan komt, tevens getrouwe dienaren. Maar alle getrouwe dienaren zijn daarom nog geen vertrouwde vrienden; want de oefening, die daartoe behoort, blijft hun onbekend.

Deze dwaze mensen zijn de verlichtten van Ruusbroec's tijd, die hij vooral aanklaagt in het "Boeksken der verklaringen".

Hier waarschuwt Ruusbroec ons voor de verwaandheid, of zelfs voor de arrogantie van deze verlichtten van zijn tijd: de sectarische beweging van de zogezegde "vrije geest". Hij noemt ze nergens bij naam, maar de geschiedschrijver Pomerius (Hendrik Utenbogaerde), verwijst naar een zekere Bloemardinne die een niet kerkelijke vorm van mystiek promootte. Ze ontkenden elke rol van de beelden, en elke vorm van de verbeelding in het geestelijk leven, ten voordele van een soort pantheistische mentale fusie. Ruusbroec wijst niemand met de vinger, maar moedigt telkens weer aan dat elk zichzelf onderzoekt en diens levensweg corrigeert.

Het afkeuren van deze sektarische beweging en haar illuminisme dat een steeds weerkerende temptatie is van de spiritualiteit in de hele geschiedenis, komt geregeld terug bij Ruusbroec. Het is het hoofdthema van zijn "Boekje van de verklaringen", dat hij schreef als antwoord op de opmerkingen en vragen die zijn allereerste werk, "Het Rijcke der Ghelieven" bij velen opwekte. Het was een boek dat hij niet geschreven heeft om uitgegeven te worden, maar om eerder zijn eigen denken uit te schrijven voor zichzelf en zijn huisgenoten. Toen hem door broeder Gheraert - kartuizer van Herne - vragen gesteld werden waaruit hij kon afleiden dat men kennis had van dat eerste boek, heeft hij besloten om dit boekje der verklaringen te schrijven om zoveel als dat kan elk mogelijk onbegrip op te heffen.

Met de hele kerkelijke traditie dat de beelden - en hieronder verstaan we alles wat we mentaal kunnen vatten, dus niet enkel het product van onze verbeelding - (m.a.w. dat de beelden die we van God maken dus) goed zijn, en onvermijdelijk zolang de geest actief is in het gebed. Deze activiteit domineert gewoonlijk de beginfase van een geestelijk leven; maar let wel, men moet zich ook niet forceren om ze te produceren. Men mag er zich echter evenmin aan hechten, gezien ze op een zeker moment de intiemere relatie tot God zullen verhinderen, daar waar ze in het begin geholpen hebben om die relatie tot stand te brengen. De afkeer om te blijven mediteren is bijvoorbeeld het eerste teken voor Sint-Jan-van-het-Kruis van een authentieke contemplatie.

Daarmee (nl. met deze beschouwingen besluit Ruusbroec) hebt gij dan het verschil tussen vertrouwde vrienden en getrouwe dienaren van ons Heer.

Ziezo, de tijd is weer bijna om. We zijn deze keer nogmaals stil blijven staan bij de Brabantse figuur van Jan van Ruusbroec. We hebben maar een heel klein stukje hernomen van de vorige keer, en een eindje verder gelezen uit zijn werk "De Blinkende Steen". Daarin spreekt hij ons over de manier waarop onze relatie tot God gestalte kan krijgen. De rijkdom van deze teksten geeft ons zeker weer heel wat stof tot nadenken en sterke beschouwingen om over te mediteren.

De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. Het commentaar komt grotendeels uit de Franstalige vertaling "La Pierre Brillante" van Pater Max de Longchamp.

Volgende keer gaan we verder lezen uit dit prachtig werk dat ons wil helpen op de weg van ons geestelijk leven. Dit werk is een klein (maar niet verwaarloorbaar) deeltje van de ruime schat die de Kerk rijk is aan geestlijke literatuur.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, kan je via de website van Radio Maria de link vinden naar de website van de Vereniging zalige Jan van Ruusbroec en de uitgeschreven versie van deze uitzendingen vinden.

Volgende keer hopen we u weer te mogen verwelcomen als onze gast op dit programma.

_____________

U luisterde naar het programma Mystieke Lectuur, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur om) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.

Vorige Inhoud Volgende


Ende hier-ave comt ongheduer van minnen. Want dat uutvloyende gherinen Gods stoect ongheduer, ende eyscht ons werc, dat es : dat wij minnen die ewighe Minne. _-oOo-_ En hiervan komt het onstuimig ongeduld van minne. Het uitvloeiende aanroeren Gods verwekt ongedurigheid en vordert van ons werkzaamheid, nl. dat wij de eeuwige Minne beminnen.

Jan van Ruusbroec, VANDEN BLINCKENDEN STEEN, p.32, v13-16.

Onze website maakt geen gebruik van cookies, wij willen geen inbreuk doen op uw privacy.